Na de strijd in Mali komt de diplomatie

In Mali heeft president Hollande bewezen krachtdadig te kunnen handelen. Maar is hij ook politiek vaardig genoeg, vraagt François Heisbourg zich af.

A French soldier peers into the barrel of a tank at a Malian air base in Bamako, January 15 2013. France hit Islamist rebels in Mali with fresh air strikes and deployed armored cars on Tuesday, stepping up its intervention in the West African state as regional allies struggled to accelerate their plans to send in troops. REUTERS/Joe Penney (MALI - Tags: POLITICS CIVIL UNREST CONFLICT MILITARY TPX IMAGES OF THE DAY) REUTERS

Op 11 januari zijn Franse strijdkrachten Mali binnengevallen. Daarbij lijden ze verliezen, en brengen ze die toe, in een oorlog die even plotseling als belangrijk is.

Zelfs in dit vroege stadium zijn uit het conflict al een aantal lessen te trekken. Ook al is de toekomstige loop van de gevechten ongewis, door bekwame diplomatie kunnen de gevechten uitgroeien tot een belangrijke kans in de strijd tegen het het internationale terrorisme.

De Franse interventie werd ingegeven door het gezamenlijke offensief tegen de hoofdstad Bamako van de drie jihadistische organisaties die vorig jaar de macht in de noordelijke helft van het land hebben gegrepen. Deze onvoorziene aanval was voor de president van Mali aanleiding Frankrijk onmiddellijk om hulp te vragen.

Een les die zo oud is als de oorlogsgeschiedenis en die maar al te vaak wordt vergeten, is dat niemand mag verwachten dat zijn vijand meewerkt. De algemene veronderstelling was dat de jihadisten niet in actie zouden komen totdat het Westen klaar was met de opleiding van een Afrikaanse strijdmacht die Noord- Mali dit najaar zou bevrijden.

Gelet op de situatie ter plaatse kon alleen een onmiddellijke tegenaanval voorkomen dat de jihadisten binnen enkele dagen de hoofdstad zouden innemen. En als Bamako zou vallen, dan zou Mali de basis kunnen vormen van een ‘Sahelistan’, zoals sommigen het noemen – een vrijplaats voor terroristische strijders à la Afghanistan, met eenzelfde mogelijke bedreiging voor het gebied zelf en voor het Westen, met name voor Europa.

Weliswaar beschikten de in West-Afrika gelegerde Franse troepen niet over de nieuwste gevechtsvliegtuigen, toch werd snelheid van levensbelang geacht. Er stond veel op het spel en het risico was navenant. Pas later werden geavanceerde Rafale-straaljagers en Tiger-helikopters naar het strijdgebied gestuurd.

Een andere overweging om de tegenaanval in te zetten, was de aanwezigheid van een operationele strijdmacht ter plaatse en de daarbij behorende snelle politieke besluitvorming, waardoor de strijdmacht onmiddellijk kon worden ingezet. Frankrijk hoort tot het handjevol landen dat deze reactiesnelheid heeft.

Dit bevestigt weer een andere les, zoals die na 11 september 2001 werd getrokken door Donald Rumsfeld (al is dit dan de minst geliefde Amerikaanse politicus in Europa): het is de missie die de coalitie maakt.

De militaire aanhang van Frankrijk loopt uiteen van de economische gemeenschap van West-Afrikaanse staten (Ecowas) tot de Verenigde Staten, met nog van alles daar tussenin. Maar de NAVO is als zodanig afwezig – evenals voorlopig de Europese Unie. Vooral de EU heeft weer eens bewezen dat de woorden ‘snelheid en urgentie’ niet in haar woordenboek voorkomen.

Tot slot blijven de capaciteitsproblemen die vooral zichtbaar werden in de oorlog in Libië, de Franse strijdmacht parten spelen – bijtanken in de lucht en strategische verkenningen (vooral met behulp van drones) zijn een groot probleem. Op deze terreinen wordt Amerikaanse hulp altijd op prijs gesteld.

Voorlopig levert de oorlog weinig politieke problemen op. In Frankrijk bestaat brede binnenlandse steun en de Franse president geniet nog van zijn ‘Hollande-lente’.

De Fransen steunen hun soldaten, verafschuwen het terrorisme en aanvaarden mogelijke slachtoffers, zolang de missie als rechtvaardig en uitvoerbaar wordt gezien. De VN-Veiligheidsraad en de Afrikaanse Unie hebben zich achter Frankrijk geschaard, evenals alle Franse bondgenoten.

Maar een dergelijke populariteit heeft een bepaalde houdbaarheid. Als operaties zich voortslepen en de slachtoffers zich opstapelen zonder dat er duidelijk vooruitgang wordt geboekt, zal de stemming omslaan. In het geval van Mali zal aan een aantal voorwaarden tegelijk moeten worden voldaan om een uitkomst zoals Afghanistan te voorkomen.

Ten eerste moet het aantal Franse soldaten niet hoger worden dan de 2.500 die nu in Mali worden ingezet en hun hoofdtaak moet de bestrijding van de jihadisten zijn, niet de bezetting van gebied. Het behoud van grondgebied moet de verantwoordelijkheid zijn van Mali en de Ecowas-troepen uit buurlanden, ondersteund door training en hulp uit het Westen.

Ten tweede moet het momentum worden vastgehouden. De jihadistische colonnes (van zo’n 150 voertuigen elk) worden ver van hun logistieke bases te grazen genomen. Mochten de al-Qaedastrijders en hun jihadistische bondgenoten pogen naar de Sahara terug te keren, dan mogen ze zich daar niet kunnen herstellen.

Met andere woorden, gedurende de overgebleven weken van het droge seizoen moeten risico’s worden genomen, zowel op de grond als in de lucht, om de vijand in het noorden te breken.

Het zal enig serieus diplomatiek handwerk vergen om ervoor te zorgen dat dit als een Afrikaanse oorlog wordt gezien, gesteund door Frankrijk en andere landen, en niet als een herhaling van Afghanistan.

Even belangrijk is medewerking van Algerije. Door Franse gevechtsvliegtuigen over zijn grondgebied te laten vliegen en de grens met Mali te sluiten, heeft Algiers blijk gegeven van een nieuw elan in de internationale strijd tegen het grensoverschrijdende terrorisme.

Wordt deze ommezwaai geconsolideerd, dan kan ze het verschil maken, want dan komen de terugtrekkende jihadisten klem te zitten tussen de hamer van de Frans-Afrikaanse interventie en het aambeeld van de Algerijnse gevechtshelikopters en grondtroepen. Maar een dergelijke houding zou wel een prijs hebben voor de Franse diplomatie, die in de eeuwige patstelling met Algerije nu vaak voor Marokko kiest.

President François Hollande heeft als opperbevelhebber bewezen dat hij krachtdadig kan handelen. Nu volgt een zware beproeving van zijn politieke en diplomatieke vaardigheden.

François Heisbourg is bijzonder adviseur van de Parijse denktank Fondation pour la Recherche Stratégique.

    • Francois Heisbourg