Meeliften met de Belgen, Polen en Duitsers

Nederland

Nederland heeft zelden zelfstandig onderzoek op Antarctica gedaan.

De Nederlandse belangstelling voor Antarctica is pas laat ontstaan. Het bescheiden Nederlandse poolonderzoek is heel lang gericht geweest op de noordpoolstreken. Die liggen dichtbij en zijn dankzij de warme Golfstroom makkelijk benaderbaar. En natuurlijk waren er de historische banden met Spitsbergen en omgeving. Het verdrag van Spitsbergen (Treaty concerning Spitsbergen) van 1920 staat bovendien vrijwel onbelemmerd onderzoek toe.

Nederland was zó weinig geïnteresseerd in Antarctica dat het de vraag is of er voor de Tweede Wereldoorlog één Nederlander voet aan wal heeft gezet. De Belgen hadden Antarctica al in 1898 opgezocht onder leiding van de bemiddelde baron (en wetenschapper) Adrien de Gerlache. De expeditie met de Belgica geldt als de eerste puur wetenschappelijke zuidpoolexpeditie.

Nederland arriveerde pas in Antarctisch gebied toen het in 1946 de walvisvaart ter hand nam om de ondervoede bevolking van goedkoop vet te kunnen voorzien. De onderneming werd een mislukking, en ontstak ook geen felle interesse in Antarctica. Toen voor het Internationaal Geofysisch Jaar 1957-1958 grote aantallen onderzoekers naar het zuiden afreisden, ook Belgische, liet Nederland verstek gaan. Daarmee verspeelden wij de kans om later automatisch stemrecht te krijgen in de vergadering van de consultatieve partijen bij het Zuidpoolverdrag (ATCM).

Belgische onderzoekers hielden de belangstelling voor Antarctica na 1958 nog een tijdje vast, begeesterd door een nieuwe baron De Gerlache (de zoon), maar zouden die uiteindelijk ook verliezen. Wel zijn tussen 1963 en 1967 drie Belgisch-Nederlandse expedities naar Antarctica georganiseerd. De wetenschappers werden met het Deense schip Magga Dan naar de Koning Boudewijn-basis op Queen Maud Land gebracht en deden behalve meteorologische waarnemingen, onderzoek aan de zon, magnetisme, ionosfeer en beweging van het ijs. Het initiatief voor de samenwerking kwam van België, schrijft Peter Abbink in zijn proefschrift (2009) over het Nederlandse wetenschapsbeleid ten aanzien van Antarctica. Ten tijde van het onderzoek had Nederland het Zuidpoolverdrag overigens nog niet eens getekend, dat kwam pas in maart 1967. Minister Joseph Luns van Buitenlandse Zaken had eerst meer inzicht willen krijgen in de draagwijdte en consequenties van eventuele toetreding.

Oud-burgemeester Thomassen

Na 1967 dooft elke Antarctische belangstelling, België sluit zelfs zijn basis. De desinteresse werd sommige wetenschappers te veel: zij organiseerden in 1987 een particuliere expeditie naar South Georgia. Stuwende kracht achter de onderneming was Wim Thomassen, oud-burgemeester van Rotterdam. Thomassen, privé bevlogene, vond dat Nederland nu eindelijk eens de status van stemgerechtigd lid bij het Zuidpoolverdrag moest zien te krijgen.

Rond die tijd ging het trouwens wel degelijk die kant op. In de loop van de jaren tachtig ontstond steeds meer internationale aandacht voor mogelijke exploitatie van natuurlijke hulpbronnen op en rond de zuidpool: mineralen, krill en vis. Bij het ministerie van Buitenlandse Zaken begon men in te zien dat het van belang was als stemgerechtigde mee te kunnen doen in de ATCM-vergaderingen waarin over exploitatie beslist zou worden. Dat was één. Rond die tijd nam ook de internationale belangstelling voor de invloed van klimaatverandering op de polen toe.

In Bremerhaven had het Duitse Alfred Wegener-instituut voor pool- en zeeonderzoek het peperdure expeditieschip Polarstern in gebruik genomen. De Duitsers zochten nu naar partners om de kosten van exploitatie te drukken en ze richtten zich daarvoor tot Nederland. Er was al lang een goed contact tussen het Wegener-instituut en het Nederlandse Instituut voor Onderzoek der Zee, het NIOZ, op Texel. Dat kocht graag een plaats op het schip, al was dat niet voor niets: 1.000 euro per persoon per dag. (Inmiddels bestaat een gunstiger regeling.)

Belangrijk, misschien wel doorslaggevend voor het verwerven van de status ‘consultatieve partij’ was de Nederlandse expeditie van 22 onderzoekers naar King George Island in 1990-1991. Men kwam er met het Poolse hydrografische schip Arctowski en huurde ruimte in het Poolse station Henryk Arctowski.

In november 1990 kregen wij ons stemrecht dat wij sindsdien hebben behouden, ook al is het onderzoek vooral in het begin niet steeds even substantieel geweest. En in afwijking van àlle andere consultatieve partijen kreeg Nederland geen eigen onderzoeksstation op Antarctica – dat doet wel eens hier en daar de wenkbrauwen fronsen. Toch zal er nooit een station komen, staat nu wel vast. Nederland vindt dat de woekering van onderzoeksstations een zelfstandig milieuprobleem geworden is. Ook kost het onderhoud van een station handen met geld, en meer dan een paar miljoen euro voor poolonderzoek (noord en zuid) zal er wel nooit ter beschikking komen. De commissie Terlouw die het Nederlandse poolonderzoek evalueerde stelde in 2010 vast dat de meeste Nederlandse onderzoekers helemaal geen eigen station willen. Liever huren zij op ad hoc basis ruimte bij al bestaande stations, dat biedt een aangename flexibiliteit. Met de Duitsers en de Engelsen zijn langlopende afspraken voor samenwerking gemaakt in speciale Memorandums of Understanding. Zo groot is inmiddels het vertrouwen in continuering van het poolonderzoek (noord en zuid) dat een groot aantal instituten zich heeft verenigd in het Willem Barentsz Poolinstituut. Dat maakt de positie tegenover financier NWO ook wat sterker.