Ik wilde erbij horen, ik wilde winnen

Thomas Dekker komt bij Rabobank terecht in een cultuur die draait om resultaat – hoe maakt niet uit. Hij gaat epo spuiten.

Nederland. Maastricht, 19-04-2009. Portret: Thomas Dekker. Hij gaat ook dit jaar niet naar de Tour de France. De renner van Silence-Lotto kreeg te horen dat er bij een onaangekondigde controle in december 2007 epo is gevonden. Dekker reed toen in dienst van Rabobank. Foto: Patrick Post / Sportstation Patrick Post/Hollandse Hoogte

‘Bij mij was het altijd alles of niets. De manier waarop ik koerste, waarop ik leefde en ook waarop ik doping gebruikte. Ik heb niet eerst een tijdje leren autorijden in een klein autootje: ik ben meteen in een Ferrari gestapt en heb vol gas gegeven.

Ik kwam in 2005 over naar de profs. Ik won bijna het Critérium International, andere koersen reed ik ook hard – maar ik kon niet mee in de klassiekers en de grote rondes. In de Giro werd ik weg gefietst zodra het bergop ging. Dat ergerde me mateloos, ik was ongeduldig.

Al snel kreeg ik door dat doping erbij hoorde, dat je jezelf moest prepareren om mee te doen bij de echte jongens. Ik wilde winnen, ik wilde erbij horen, ik was er gevoelig voor. Ik had toen eigenlijk mensen nodig die tegen me hadden moeten zeggen dat ik geduld moest hebben, dat ik met mijn fikken van de doping af moest blijven.

Maar die waren er niet.

Integendeel.

In het milieu waarin ik terechtkwam hoorde doping erbij. Sterker nog: doping was a way of life voor veel ploeggenoten en collega’s om me heen. Je leeft hard, je traint hard, je doet er alles voor: doping hoort bij je beroep. Ik weet nog dat ik voor 600 euro aan vitaminen had gekocht. Een paar andere renners van de ploeg lachten me uit: ‘Voor dat geld had je wel wat harder kunnen rijden.’

Ik was zo jong, zo makkelijk te beïnvloeden. Ik wilde naar de top, zo snel mogelijk. Ik stond overal voor open.

In augustus 2006 heb ik voor het eerst epo gebruikt. Een kuurtje, zelf gekocht. Bang om gepakt te worden was ik niet, er waren nog geen out-of-competition-controles. Als je lang genoeg van tevoren gebruikte, kon je niet nat gaan. De artsen bij Rabobank legden me uit hoe ik het moest gebruiken, verder bemoeide niemand zich er mee. Niemand stuurde me een andere kant op, niemand vroeg iets. Je gebruikte doping, of je gebruikte het niet. Iedereen maakte het zelf uit.

Vlak na mijn eerste kuur reed ik de Ronde van Polen. Ik was supergoed. Mijn hematocriet was 48,3. Maar in de eerste rit ging ik op mijn bek. Had ik voor niks epo gebruikt.

Een toenmalige begeleider bracht me in contact met een man die bloedtransfusies deed. Ik dacht dat dat de weg naar succes was. Alle grote renners deden het, zei hij. Ik heb in de jaren erna drie keer een bloedzak gekregen.

In 2007 kreeg ik last van mijn heup. Ik kon nauwelijks trainen, ik zocht naar manieren om te presteren. De snelste manier was epo. Dat kocht ik bij een apotheek buiten Nederland. Dat was heel normaal, je kocht het gewoon onder de toonbank. Zelfs wielertoeristen deden dat.

Ik werd twaalfde in de Amstel, daarna won ik de Ronde van Romandië. Ik kon de hele wereld aan, tot ik weer last kreeg van mijn heup. Voor de Ronde van Zwitserland gebruikte ik weer epo. Dat sloeg niet echt aan – mijn hematocriet kwam niet hoger dan 43. Ik verwachtte er niet veel van. De dag voor de koers ben ik nog op stap geweest met Tyler Hamilton. Tot mijn verbazing reed ik in Zwitserland heel goed, won een rit.

In de beruchte Tour – die waarin Rasmussen eruit werd gezet – gebruikte ik dynepo. Na de Tour heb ik niets meer gebruikt. De voorraad was toch op. En degene die bij de bron kon, hield het meeste voor zichzelf. Pas bij het opruimen van de koelkast, vlak voor Kerst, vond ik nog twee spuiten. Die heb ik toen maar gezet.

Ik weet nog dat we een bloedcontrole hadden voor de Eneco Tour, in het najaar. Renner X vroeg: ‘Nog wat gedaan?’

Ik zei: ‘Niks.’

Hij: ‘Ik wel.’

Bij de bloedcontrole had ik een hematocriet van 39, renner X zat op 47. Hij lachte me uit: ‘Wat doe je hier? Hahahaha!’

Maar ik werd vierde in het eindklassement.

In 2008 kreeg ik problemen met [Rabo-teamdirecteur] Harold Knebel, serieuze problemen. Hij wilde me uit de ploeg zetten. Dat vond ik niet terecht. Alsof ik de enige was. Maar met de rest deden ze niks. Ik dacht: had dan vanaf het begin tegen me gezegd dat ik niks mocht gebruiken! Als je een jonge renner wilt leren dat hij niks mag gebruiken, dan moet je er bovenop zitten. Elke week bloed testen of zo. Achteraf denk ik er wel anders over. Knebel wist gewoon van niks. Hij had de slechte jaren niet meegemaakt bij Rabobank.

Ik vertrok bij Rabo en tekende bij Lotto. Ik gebruikte daar niets. Ja, cortisonen voor een klassieker, zogenaamd op attest – en verder reed ik schoon. Ik ging wel voor het eerst op hoogtestage. Daarmee werd ik derde in de tijdrit in de Ronde van Zwitserland. Ik voelde me beter en beter worden. Ik besefte dat het ook zonder doping kon.

En toen kwam het telefoontje.

Ik wist meteen dat het niet goed zat toen ik zag dat het een Zwitsers nummer was. Anne Gripper, hoofd anti-doping van de UCI, hing aan de andere kant van de lijn. Ze zei dat ik positief was; er was doping aangetroffen in een urinestaal van anderhalf jaar eerder. Ik dacht alleen maar: hoe kan dat? Hoe kan dat?

Ik was positief op Dynepo en fluctuaties in mijn bloedpaspoort, bloeddoping dus. Twee verschillende zaken kwamen samen in één overtreding.

Ik voelde me bedrogen, geflikt. Door wie wist ik eigenlijk ook niet. Tot ik met Pat McQuaid sprak in Maastricht, juni 2011. Hij zei me: ‘Thomas je zat fout. We hielden je al lang in de gaten, we gingen je hoe dan ook een keer pakken.’ Toen kon ik het echt afsluiten. Ze hadden gelijk.

Ik ben door een diep dal gegaan. Ik voelde me zo slecht. Ik kon het niet opbrengen om te trainen, ik wilde soms helemaal niets met wielrennen te maken hebben. Ik vond andere renners een stel hypocrieten. Ze lachten me uit in mijn gezicht terwijl ze precies hetzelfde hebben gedaan.

Ik ben tijdens mijn schorsing langzaam maar zeker gaan beseffen wat er allemaal met me gebeurd is, wat ik allemaal heb gedaan, waarom ik ooit ben geen wielrennen. Het was zo moeilijk. Ik, ik… ik vind het zo jammer dat ik niet een paar jaar jonger ben. En dat ik in een ploeg terecht ben gekomen waar er altijd een grijs gebied bestond. Ik wilde erbij horen, ik wilde winnen. Later denk ik wel eens: was er maar een leider geweest die me had gezegd dat ik niet had moeten gebruiken, iemand met ballen. Dan had ik wel geluisterd, denk ik. Maar uiteindelijk heb ik vooral spijt dat ik zelf niet stevig genoeg in mijn schoenen stond.

Nu, bij Garmin, gaat het heel anders. Er wordt niets gebruikt, ook geen cortisonen. Jonge renners krijgen vanaf het eerste begin ingepeperd dat ze zonder doping ook kunnen winnen. Het is een andere tijd, hè? Het gaat er zo veel anders aan toe in het peloton. Het wielrennen van na mijn schorsing is een hele andere sport dan voor mijn schorsing. Soms is het gewoon lachwekkend, zo langzaam als we rijden.

Ik hoef de Tour niet meer te winnen; die tijd is geweest. Ik heb weer plezier in het fietsen, dat is veel belangrijker. Ik heb nog heel veel ambitie en doelen, maar dan wel realistisch.

Godverdomme, ik besefte vroeger niet hoe goed ik was. Ik was de beste belofte ter wereld. Het is zo zonde. Die twee jaar krijg ik nooit meer terug, mijn onbevangenheid is voor altijd kapot. Ik zou alle jonge renners maar één ding willen meegeven over doping: doe het niet. Het is het niet waard.

Met doping krijg je misschien eerst heel even alles. Maar uiteindelijk blijf je achter met niets.”

    • Thijs Zonneveld