'Ik leg schil na schil af'

Ivan Wolffers eet Caesarsalade met volkorenbrood. Het nieuwe boek van de schrijvende arts gaat over gezond leven. ‘Ik ben specialist kanker hebben.’

Bob van der Vlist, NRC Handelsblad, NRC Next, Lux, Ivan Wolffers

Ivan Wolffers (64) wist meteen waar hij wilde lunchen. Small World in Amsterdam. Meer een cateringbedrijfje dan een restaurant. Ze koken er zoals hij zelf graag kookt. Veel groenten en alles vers. Maar het sneeuwde. Lange files op de snelwegen en moeizaam treinverkeer. Hij belde ’s ochtends om te zeggen dat hij liever dichter bij zijn huis wilde lunchen. Hij koos een lunchroom op loopafstand van het station in Bilthoven. Van hem uit een half uur lopen door het bos. Pas later, toen we al lang en breed aan tafel zaten bij Settlers, begreep ik waarom een besneeuwde treinreis geen probleem voor mij was. En voor hem wel.

U zult het zo ook begrijpen, maar eerst even dit: we lunchen omdat Ivan Wolffers een nieuw boek heeft gemaakt. Het Gezonde Lifestyleboek. Dit boek, zegt hij zelf, is een logisch vervolg op Gezond uit 2010, zijn „non-fictie hoogtepunt”. „Alles wat ik als medicus en antropoloog over gezondheid weet, komt erin samen.” Hij zegt dat hij het aanvankelijk in het Engels had willen schrijven. „Hier in Nederland zijn mensen zo gewend aan wat ik doe. Ik was bang dat ze zouden denken: heb je hem weer.” Ivan Wolffers schrijft al bijna veertig jaar over het onderwerp. In de jaren zeventig in een column over medicijnen in de Volkskrant . Tegenwoordig op Facebook, Twitter en zijn blog. In Gezond staat zijn theorie over gezondheid. In Het Gezonde Lifestyleboek schrijft hij hoe we moeten koken, bewegen en denken om gezond te worden of te blijven.

Ik zeg dat zijn boek ook een tweet van tien tekens had kunnen zijn: wees matig.

Hij lacht. Helderblauwe ogen boven een Noorse trui. Blozende wangen van de wandeling hiernaartoe. Wit-grijs haar dat springerig omhoog staat. „Met die boodschap kunnen mensen niet zo veel. Ze willen een recept.” Dus stelt hij zich 277 bladzijdes lang op als goeroe en geeft, onder andere, twintig leeftips om af te vallen. ‘Kook zelf’. ‘Ga een uur vroeger naar bed’. ‘Leg je te krappe lievelingsspijkerbroek klaar.’

Tip 14 past hij toe als hij een Caesarsalade bestelt. Wie gezond wil eten, moet daar in een restaurant om durven vragen. Dus hij zegt: „Zonder kip, want ik ben vegetarisch.” En tip 4 (‘Volkoren, volkoren, volkoren’) gebruikt hij als de kok de salade komt brengen, met daarop stukjes geroosterd wit stokbrood. Ivan Wolffers vraagt, vriendelijk, of dat vervangen kan worden door volkorenbrood. Geen enkel probleem, vindt de kok.

Donderwolk

Op de blog van vorige week schrijft hij dat hij voor het eerst naar Bikram Yoga is geweest. Dat is yoga in een 40 graden warme ruimte. „Gisteren weer geweest”, zegt hij. Anderhalf uur lang zijn lichaam in onmogelijke houdingen vouwen. Het geeft hem, zegt hij, zelfvertrouwen. Hij wijst op zijn rechterheup. Die is versleten. „Ik ben steeds banger voor die pijn. Bang om uit balans te raken. Dit helpt.” Hij legt met zijn vuist en zijn handpalm uit hoe het heupbot frictie veroorzaakt, dat hij als kind al op heilgym zat om zijn scheve loopje te corrigeren. Dat hij sinds zijn dertigste elke dag acht kilometer hardloopt en dat dat misschien de slijtage heeft veroorzaakt. En, terloops: „Er zit een uitzaaiing bij mijn bekken. Geen chirurg die een pin in zo’n heup durft te slaan.” Hij klopt op zijn borst net naast zijn longen, zijn bovenbeen, zijn rug. Plekjes die oplichtten toen hij eind 2012 onder het scanapparaat lag. „Ik vierde net mijn tweede lustrum als prostaatkankerpatiënt.” Sinds die diagnose is hij vegetariër, is hij nog meer groenten gaan eten dan hij al deed, en is hij „radicaal” gaan bloggen. Elke zaterdag post hij een stukje over hoe het met hem gaat. „Kanker is zo’n donderwolk. Ik dacht meteen: ‘mijn moeder ga ik het niet vertellen’. Ik wilde iedereen de last besparen van steeds te moeten vragen hoe het met me gaat.”

Hij schreef aanvankelijk om er niet over te hoeven praten. Maar de belangstelling voor zijn site is zo groot dat hij vaak wordt gevraagd lezingen te geven. „Ik ben specialist kanker hebben”, zegt hij. Inmiddels is hij er trots op. „Ik voel me een antropoloog op ontdekkingsreis. De ziekte heeft me veel geleerd. Maar ik had het graag gemist, hoor. Zó leuk is kanker nou ook weer niet.” Hij heeft geen pijn, is niet moe of misselijk. „De klachten die ik heb, komen door de behandeling.” De sneeuw, maar vooral zijn kapot bestraalde ingewanden waren vanochtend de reden om een reis per trein zonder wc te mijden.

Hij is iemand die graag een probleem oplost voordat hij het bespreekt, zegt hij. En al schrijvend is hij de ziekte de baas. „Ik ben schrijver”, zegt hij. „Altijd geweest. Als jongetje begeleidde ik mijn spel met woorden. ‘Old Shatterhand schuift nu met zijn buik over de grond, uit vrees voor onverhoedse aanvallen.’ Heel mal. Ik ging er niet in op, ik bleef observator.” Nu begeleidt hij zijn ziek-zijn met woorden. Donderdag is kankerdag. „Dan schrijf ik mijn blog voor het weekend.” In het dagboek dat hij voor zichzelf schrijf, komt het woord kanker niet voor. „Het is een huishoudboekje over wat ik die dag heb gedaan.” Geen verslag van narigheid en ellende. „Leed bestaat alleen als je jezelf toestaat te lijden.”

Om het leven, en niet het lijden met misschien wel tien jaar te verlengen, onderwerpt hij zichzelf aan een streng regime. Elke dag een flinke wandeling. Altijd ontbijten (deed hij vroeger nooit). Naar elke verdieping onder de vijfde neemt hij de trap. Op tijd naar bed. En elke dag schrijven. „Bang om dood te gaan, ben ik niet. Dat is de knop om en klaar. Ik maak me zorgen over de periode ervoor, dat je geen woorden meer kunt vinden om te benoemen wat je overkomt.” Hij hoopt dat zijn vrouw, schrijfster Marion Bloem, na zijn dood nog een „extra leven” aan het hare kan plakken. „Dat ze in New York gaat wonen, en daar gaat schrijven. Maar zij zegt dat ik me er niet mee moet bemoeien.”

Hij is nu 64, net zo oud als zijn vader toen hij stierf. „Mijn vader deed alles wat ik in mijn boek afraad.” Hij was handelsreiziger. „Hij leefde in een tijd dat mensen dachten dat ze van plaatstaal waren. De sfeer van Mad Men. Roken als een ketter, met de auto naar de brievenbus, jus met kaantjes en als mijn moeder hem berispte dat hij te veel at, schepte hij nog een extra lepel op.” Zelf was Ivan Wolffers een slechte eter. „Na mij kregen mijn ouders nog een tweeling. Ik was vier. Op oude foto’s zie je mijn vader en moeder ieder met een wolk van een baby op schoot, ik vreselijk verlegen erachter. Tot mijn achttiende verdomde ik te eten. Daarna lustte ik alles.”

Het jaar waarin zijn vader stierf, was ook het jaar waarin Ivan Wolffers doorbrak als schrijvende arts. Zelf vond hij het heel vanzelfsprekend dat hij een dagelijkse column in de krant mocht schrijven. „Als huisarts bereik je één persoon. Ik dacht: ik schrijf het op, dan bereik ik heel veel mensen.” En dat gebeurde. Hij werd, volgens Vrij Nederland toen, de populairste huisarts van Nederland. „Niemand bereidt je voor op een leven in de schijnwerpers.” Hij werd er melig van. Dwars. „Ik voelde me door mijn column in een soort apothekersgevangenis geduwd, terwijl ik geen apotheker ben. Daarom ging ik over de dood schrijven. En daarna, weer totaal iets anders, over seks.” In die jaren weigerde hij op de foto te gaan als hij interviews gaf.

Hij promoveerde, werd hoogleraar Gezondheidszorg en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam. Maakte verre reizen met Marion, die met elk boek dat ze publiceerde ook steeds bekender werd. Ze raakten gewend aan een zekere aandacht, zegt hij. „Maar ik heb er moeite mee dat mensen ons leven zo idealiseren. Wij hebben ook ruzie. Veertig jaar getrouwd zijn, is echt niet altijd makkelijk.”

Ik zeg dat niemand hem toch dwingt om elke dag een foto van zijn vrouw op Facebook te zetten. Dat deed hij vorig jaar, een heel jaar, als verrassing omdat ze 60 werd. Marion Bloem, schrijvend, lezend, slapend op hun reizen in Azië en Afrika. Steeds even prachtig, of ze nou 18 is of 58. Het is nu ook uitgegeven als boekje, Reisgezel.

„Ze wilde graag dat ik een boek voor haar schreef over onze liefde. Dat vond ik eng. In plaats daarvan postte ik die foto’s. Ze was er eigenlijk helemaal niet zo blij mee. Te intiem, vond ze.”

Manlijkheid

De medicijnen die hij nu gebruikt, veroorzaken een lichte vorm van afasie. Hij is soms woorden kwijt. Hij vindt dat erger dan het verlies van zijn manlijkheid. De aanmaak van het testosteronhormoon, de aanjager van de tumorgroei, is stilgelegd. Hij balt zijn vuisten, alsof hij op het punt staat erop los te slaan. „Testosteron geeft scherpte aan je bestaan. Zelfvertrouwen. Nóg een boek schrijven. Het laatste woord nemen. Verlegenheid overschreeuwen met machogedrag.” Van de ene op de andere dag was het weg. „De acute overgang is het best te illustreren met seks. Ik ben altijd verliefd geweest op mijn vrouw. Als ik haar zag, had ik zin. Nu denk ik: eerst even mijn boek uitlezen.”

Hij is wel aardiger nu, zegt hij. Zachter, liever én somberder. „Als ik voorheen om vier uur ’s ochtends wakker lag, dacht ik de mooie boeken uit die ik zou schrijven. Nu lig ik te bedenken hoe ik goddomme dit jaar de belasting weer moet ophoesten. Over alles ligt een grijze waas.”

Hij weet nu dat zijn manlijkheid niet de kern is van zijn persoon. „Ik leg schil na schil af. Langzaam begin ik te lijken op de jongen van vroeger. Ik word weer wie ik was.” Hij heeft, zegt hij, het gevoel dat hij steeds meer aankomt op het station waar hij hoort te zijn. Hij lacht, vluchtig. „En dat is niet het eindstation.”

    • Rinskje Koelewijn