Iedereen wil er een hutje

Zuidpoolverdrag

Een land dat mee wil praten over Antarctica moet er onderzoek doen.

Antarctica is van niemand. Voor het continent was tot 1959 geen enkel internationaal beheer geregeld. Dit was dus nog de feitelijke toestand toen er in het Internationaal Geofysisch Jaar (IGY) 1957-1958 grootschalig en gecoördineerd onderzoek plaats vond door wetenschappers uit de VS, de Sovjet-Unie, Japan, Australië, Nieuw-Zeeland, Zuid-Afrika, Chili, Argentinië, Engeland, Frankrijk, Noorwegen en ook België. Uit de geslaagde samenwerking ontstond de wens om Antarctica in een internationaal verdrag expliciet bescherming te geven en het wetenschappelijk onderzoek op het continent te bevorderen. Dit heeft geleid tot de oprichting van het Antarctic Treaty, het Zuidpoolverdrag, in december 1959. De oorspronkelijke 12 deelnemers aan het IGY tekenden het in 1960 en 1961. Het trad ook in 1961 in werking.

Het Zuidpoolverdrag heeft Antarctica de bescherming gegeven die werd beoogd en de wetenschappelijke samenwerking ook echt bevorderd. Het wordt daarom als een succes beschouwd, al zijn er nog steeds veel landen, vooral Afrikaanse en Arabische, die zich er niet bij aansloten. Het strekt zich uit tot alle landgebieden en drijvende ijsplaten ten zuiden van 60 graden zuiderbreedte, maar niet of nauwelijks tot de zee.

In essentie verklaart het Zuidpoolverdrag Antarctica tot een natuurreservaat waar onbelemmerd wetenschappelijk onderzoek kan plaatsvinden. Antarctica mag alleen vreedzaam gebruikt worden, zegt artikel I van het verdrag, militair optreden is verboden. Er mogen geen kernproeven worden gehouden en er mag geen nucleair afval worden gedumpt. De oude territoriale claims op Antarctica worden in artikel IV ‘bevroren’. De verdragspartners doen er uitdrukkelijk geen afstand van, maar kunnen tegelijk ook geen soevereiniteit opeisen over bepaalde gebieden.

ondertekenaars

De tekst van het verdrag (www.ats.aq) spreekt uit dat het beheer over Antarctica voortaan in handen is van de Antarctic Treaty Consultative Meeting (ATCM) die jaarlijks bijeenkomt. In deze omvangrijke vergadering hebben de oorspronkelijke 12 ondertekenaars van het verdrag automatisch stemrecht. De delegaties uit landen die pas later tekenden moeten aantonen – en dit is de crux – dat zij ‘substantieel wetenschappelijk onderzoek’ op Antarctica verrichten. Het verdrag geeft daarvan in artikel IX.2 twee voorbeelden: het land dat ‘consultatieve partij’ (stemgerechtigd lid) wil worden vestigt een onderzoeksstation op Antarctica, of het rust een eigen expeditie uit. Wie geen onderzoek van voldoende gewicht uitvoert heeft geen stemrecht in de vergadering, maar kan die wel als waarnemer bijwonen.

Inmiddels zijn 28 landen stemgerechtigd, het laatst verwierven Nederland, Ecuador, Bulgarije en Oekraïne die status. De meeste landen besluiten aan hun verplichtingen te voldoen door de bouw van een station of stationnetje, soms niet eens een permanent stationnetje. Het heeft geleid tot een woekering van hutten, hutjes en aangepaste containers. Of van daaruit werkelijk substantieel onderzoek wordt gedaan is niet duidelijk. Sommige landen (zoals Bulgarije en Peru), leveren niet eens onderzoeksprogramma’s in bij de SCAR (de zelfstandige wetenschappelijke commissie voor zuidpoolonderzoek die de ATCM adviseert), van andere stelt dat overzicht bitter weinig voor. Resultaten van het werk van consultatieve partijen als bij voorbeeld Peru, Ecuador, Urugay, Bulgarije en Oekraïne zal men ook niet gauw tegenkomen in toonaangevende wetenschappelijke tijdschriften. Meteorologische waarnemingen die voldoen aan de criteria van de WMO (de VN-organisatie voor meteorologie) zijn natuurlijk in principe altijd nuttig, maar aanzienlijk minder nuttig als ze vanuit een conglomeraat van aanpalende observatoria plaatsvinden. Veel van die stations staan hutjemutje op elkaar, zoals op King George Island ten zuiden van Argentinië dat zonder (dure) ijsbrekers te bereiken is. De onontkoombare conclusie is dat het veel landen in de eerste plaats is te doen om physical presence op Antarctica. En dat stemrecht.

Krillvisserij

Dit soort bedenkingen lijkt taboe te zijn tussen de verdragspartners. Desgevraagd deelt een woordvoerder van het ministerie van Buitenlandse Zaken mee dat het onderzoek van de genoemde landen ‘niet ter discussie staat’ binnen de ATCM en dat het als substantieel werd beoordeeld “op het moment dat de consultatieve status werd aangevraagd”. In principe vinden er wel inspecties plaats naar de kwaliteit van het onderzoek.

Wel blijkt dat de ATCM probeert vestiging van al te veel stations (landen als Rusland, Argentinië, Amerika en Chili hebben er 5 of meer) tegen te houden. Toen India in 2006 een extra station wilde openen werd daartegen bezwaar gemaakt.

Aan het Zuidpoolverdrag zijn later andere overeenkomsten toegevoegd. In 1982 werd het verdrag ter bescherming van Antarctisch zeeleven (CCAMLR) van kracht. Het werd opgesteld uit bezorgdheid over de enorme visserij op krill door Sovjetschepen, maar beschermt in beginsel alle leven in de wateren rond de zuidpool. Het gaat hier niet primair om natuurbescherming. Voorop staat, zoals in het beleid van de Internationale Walvisvaart Commissie (IWC), het in stand houden van gezonde populaties waarvan geoogst kan worden. De toevoeging dat ecologische verbanden tussen de geviste diersoorten (zoals krill) en soorten die ervan afhankelijk zijn moeten worden behouden maakt het toch tot een modern natuurbeschermingsverdrag.

Het verdrag uit 1988 waarin de delfstoffenwinning op Antarctica zou worden geregeld en zelfs – onder strikte voorwaarden – toegelaten, is nooit van kracht geworden. Het verzet was te groot. Inmiddels is exploitatie van mineralen en dergelijke nog duidelijker verboden dan het al was, nu ook in het milieuprotocol (protocol van Madrid) dat in 1991 werd aangenomen. Dat verlangt ook onderzoek naar milieueffecten bij de bouw van nieuwe stations en stelt eisen aan het toenemende toerisme – de andere grote bedreiging van Antarctica.