Herdenk 1813 alleen als begin

Allemaal waar, dat 1813 geen echte ‘bevrijding’ was, maar dan kun je het nog steeds wel herdenken, aldus Henk te Velde.

In de bijlage Opinie&Debat van 12 januari trekt historicus Matthijs Lok ten strijde tegen „mythes” over de komende herdenking van 1813. Deze zouden „nieuw leven worden ingeblazen”.

Lok somt de tegenwoordige inzichten over deze periode op: de hernieuwde onafhankelijkheid van 1813 bouwde voort op de bestuurlijke vernieuwing in de voorafgaande periode, de ‘bevrijding’ was vooral het gevolg van de internationale situatie en de latere Willem I en de bestuurlijke elite opereerden pragmatisch en meestal weinig principieel.

Het is allemaal waar, maar waar wordt die mythe nieuw leven ingeblazen? Historici die nog willen verdedigen dat Willem het zo ongeveer alleen heeft gedaan, en dat er een heroïsche vrijheidsstrijd werd uitgevochten, moet je met een lampje zoeken. Vanuit zijn kennis over de pragmatische bestuurders uit die tijd vat Lok in feite de consensus onder historici samen.

Het grote publiek dan? Vraag je dat naar 1813, dan komt er waarschijnlijk geen antwoord. 1813 is geen levend onderdeel van het collectieve geheugen, zoals de Tweede Wereldoorlog. Wel leven negentiende-eeuwse ‘geschiedbeelden’ een taai leven. En het zou jammer zijn als deze straks bij de herdenkingen, die vanaf november plaatsvinden, toch weer de kop opsteken. Misverstanden zitten tenslotte in een klein hoekje.

Anders dan Lok geloof ik niet dat iemand Willem I wil presenteren als „de brenger van parlementaire democratie”. Zoals alle vorsten uit zijn tijd had hij een hekel aan democratie; aan het begin van de negentiende eeuw waren er als reactie op de Franse Revolutie ook verder heel weinig ‘democraten’.

Hoe zou je dan toch ‘de verworvenheden van 200 jaar onafhankelijkheid en democratisch bestel’ kunnen vieren? Dan moet je niet het moment van toen verabsoluteren, dan moet je de herdenking eerder opvatten als een verjaardag. Zoals bij een verjaardag niet wordt teruggeblikt naar de geboorte, maar dat moment wordt aangegrepen voor een feest of een bezinning, zo kun je ook tegen 1813 aankijken. 1813 is dan mede aanleiding om de balans van onze democratie op te maken, om die opnieuw te overdenken, te her-denken.

De periode 1813-1815 kan uitgangspunt dienen, omdat toen een politiek bestel is ontstaan dat het kader is gebleven voor een doorgaande ontwikkeling: een Grondwet, een constitutionele monarchie, een Eerste en Tweede Kamer.

Veel is veranderd, maar deze basis is er nog. We kunnen hieruit leren dat een democratie baat heeft bij institutionele continuïteit: oefenen met democratie, discussiëren, kritiseren en telkens aanpassen. Dit proces is nooit af en behoeft een flexibel institutioneel kader.

Dat de gebeurtenissen van 1813-1815 toch van grote invloed waren, blijkt onder meer uit de rol die Oranje vanaf dat moment ging bekleden, en deels ook uit de nogal bestuurlijke inslag van de Nederlandse politiek die toen werd bevestigd. Los van het – nog weinig effectieve – principe van vertegenwoordiging is de Grondwet het belangrijkste. Op 29 maart 1814 werd er een Grondwet aanvaard. Die werd een jaar later herzien, om te functioneren in het koninkrijk van Nederland en België samen. Deze Grondwet is telkens herzien, maar tot op de dag van vandaag zijn zinnen uit de oorspronkelijke Grondwet herkenbaar, en tot de laatste grote herziening, in 1983, was de structuur van de grondwet nog dezelfde als die uit 1815.

Ook de beroemde Grondwet van Thorbecke van 1848 was een herziening van groot belang, maar deze was ondenkbaar geweest zonder de bestaande Grondwet. Hiermee is de Nederlandse Grondwet na de Amerikaanse zo ongeveer de oudste ter wereld.

Aanvankelijk trok de koning zich in de praktijk zo weinig mogelijk aan van de Grondwet, maar ze was er wel. Ze won steeds aan belang en ze is gebleven. Dit is het onderscheid met de eerste Grondwet van Nederland, uit 1798. Bijna alles wat er in 1813-1815 ontstond, bouwde voort op ervaringen van de voorafgaande periode, nadat de inval van de Franse legers vanaf 1795 de ontwikkeling van een moderne democratie in Nederland mogelijk had gemaakt. Toen ontstond er ook een modern parlement, en werd onder Franse druk zelfs het koningschap ingevoerd. Zonder deze voorgeschiedenis zou het bestel van 1813-1815 er heel anders hebben uitgezien.

Laten we die voorgeschiedenis dus niet vergeten, maar ook recht doen aan het belang van 1813-1815. Waken voor oude mythes is daarbij nuttig, maar laten we vooral opnieuw bekijken welke plaats dat moment in de Nederlandse geschiedenis inneemt.

Henk te Velde is hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit Leiden en lid van het Nationaal Comité 200 jaar Koninkrijk.

    • Henk te Velde