De grondslag van historie is en blijft het verslag van wat was

Mijn waardering voor de kritische beschouwing van Matthijs Lok (Opinie&Debat, 12 januari). Hij spreekt over de herdenking van de gebeurtenissen van 1813 in Nederland, dit jaar tweehonderd jaar gelden. Terecht valt in zijn stuk een aantal keren de term ‘mythe’, zoals die nu inderdaad wordt opgebouwd en die erop gericht is om Grondwet, democratie en Oranje mooier aan elkaar te koppelen dan de gebeurtenissen van toen toelaten.

Helaas wordt aan het eind van het betoog de kracht van de redenering onnodig verzwakt. De genoemde mythe heet dan opeens een „historisch regime”, waarmee op zich niets mis zou zijn. Zolang de beeldvorming maar functioneel is, is vereenvoudiging middels de mythe volgens Lok nodig en geoorloofd.

Maar zo brengt de geschiedschrijving zichzelf wel in diskrediet! Wat zouden we dan nog kunnen geloven? Dan wordt aan het publiek alleen maar, onvermijdelijk vereenvoudigd, verteld wat functioneel gezien goed voor ons is. Of het allemaal ook nog echt waar is, is volgens Lok minder belangrijk dan de gunstige werking van de vereenvoudiging.

Zo moet het niet. De grondslag van historie is en blijft het verslag van wat was. Vereenvoudiging is zeker onvermijdelijk en ook nodig, maar daarbij dient men zich te hoeden voor een al te gemakkelijk gebruik van het mooie en soms zo nuttige verhaal. Mythen moeten door de wetenschap altijd worden doorgeprikt en dus niet worden gedoogd als het zo uitkomt, ongeacht of er geschreven wordt voor de vakbroeders of voor het publiek.

Louis Plas

Schiedam

Ook voor de winnaars was de toekomst onbekend

Het is de taak van de historicus om herinneringen kritisch te onderzoeken, betoogt Matthijs Lok. Hierin heeft hij natuurlijk groot gelijk. Het probleem van zijn artikel, zoals bij veel historische debunking, is dat de kritiek het woord geeft aan de verliezers van de geschiedenis, de verhalen die afwijken van de historische canon en het nationale geschiedverhaal. Hierbij dreigt onder te sneeuwen dat de toekomst ook ongewis was voor diegenen die achteraf zijn uitgeroepen tot de winnaars van de historische strijd. De bevrijding van Nederland was, met andere woorden, ook voor de bevrijders niet wat er achteraf van is gemaakt.

Neem Gijsbert Karel van Hogendorp, voorman van het Voorlopig Bewind dat de latere koning Willem I naar Nederland haalde, en de belangrijkste auteur van de grondwetten van 1814 en 1815. Van Hogendorp kon in deze jaren niet voorzien hoe de monarchie die hij schiep, zou uitpakken. De ‘Oranjestaat’ die Lok noemt, is niet een vooropgezet plan geweest van Van Hogendorp en de zijnen. Net als al zijn tijdgenoten, winnaars zowel als verliezers, koos hij voor een oplossing die hem op dat moment de beste leek.

Er was bovendien haast geboden. Kozakkentroepen waren al in het land. Engelse schepen patrouilleerden voor de kust. Of de voormalige Republiek der Nederlanden een zelfstandige toekomst tegemoet zou gaan, was maar zeer de vraag. Met een eigen, aan de andere koningshuizen verwante vorst aan het hoofd was die kans op zijn minst groter. Dat die gok anders uitpakte dan Van Hogendorp verwachtte, blijkt uit het feit dat hij binnen enkele jaren al zijn functies neerlegde en uitgroeide tot leider van de oppositie tegen koning Willem I.

Het pleidooi van Lok is dus terecht, maar laten we niet doen alsof de partij van de winnaars in de toekomst kon kijken.

Edwin van Meerkerk

Historicus, verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen en biograaf van Dirk en Gijsbert Karel van Hogendorp

Eerste koning de beste?

De eerste koning van Nederland, Lodewijk Napoleon, gaf bij zijn troonsafstand in 1810 een proclamatie aan het Nederlandse volk uit. Hierin schrijft hij onder meer: „Hollanders! nimmer zal ik een goed en deugdzaam Volk vergeten, zoo als Gij zijt; Mijne laatste gedachte zoo wel als Mijne laatste zucht zullen voor uw geluk zijn.”

Onze eerste koning! De eerste de beste?

Th.C. Ruijgrok

Breda

    • Edwin van Meerkerk
    • Louis Plas
    • Th.C. Ruijgrok