Bamako vreest de bebaarde vijand

Malinezen zijn blij dat Frankrijk hen wil redden van de moslimrebellen. Hun eigen leger liet zich overmeesteren tijdens het eten. Maar zij vrezen een aanval zoals in Algerije.

Een Franse militair hangt zijn was te drogen op een luchtmachtbasis bij de Malinese hoofdstad Bamako, in afwachting van zijn vertrek naar het noorden. Foto Reuters

Malinese soldaten komen liftend of op een brommertje naar hun werk op de legerbasis bij de luchthaven van Bamako. Bewakers bij de poort laten journalisten niet binnen. „Je komt er alleen in met toestemming van de Fransen”, vertellen ze. In een gloednieuwe terreinwagen komt een Franse commandant aanrijden. „Wij geven hier de bevelen”, zegt hij. „We werken samen met het Malinese leger, maar wij hebben de leiding over het militaire offensief.”

Beteuterd slaan Malinese militairen de aankomst van een monsterachtig groot Antonov-transportvliegtuig gade. Zij staan aan de zijlijn wanneer Franse soldaten in korte broek de eerste Puma-helikopter uit de neus van het vliegtuig laten glijden. Iets verderop parkeert een net binnengevlogen Canadees transporttoestel, Britse militairen kijken toe hoe een ander vliegtuig wordt ontladen.

„We hebben nu duizend ton materieel aangevoerd naar de luchtmachtbasis in Bamako”, vertelt de Franse kolonel Laurent. „Van hier gaat bijna alles naar het oorlogstoneel.” De moderne Franse Mirage gevechtsvliegtuigen en de helikopters steken scherp af tegen het verroeste en door slingerplanten overwoekerde Malinese materieel. „Ik ben blij dat er zoveel journalisten naar Mali komen”, zegt een Franse militair. „Ik diende in Afghanistan en niemand in Frankrijk begreep wat we daar deden. Nu voeren we een populaire oorlog. Iedereen steunt ons.”

Hoe lang zullen de Franse soldaten moeten blijven? Op het eigen leger hoeven de Malinezen niet te rekenen, weten ze. „Ons leger is een lachertje en legerleider Amadou Sanago een dronkaard”, zegt hoofdonderwijzer Youchaou, terwijl hij een Malinees gerecht van kip met pindasaus eet. Dit openluchtrestaurant in de hoofdstad zat vroeger propvol toeristen, maar die blijven sinds de gijzelingsacties van vorig jaar weg. „Daarom moesten de Fransen Mali komen redden. Waren ze niet gekomen, dan hadden we nu moeten leven onder het regime van de mannen met de lange baarden”, zoals hij de moslimradicalen noemt, die eerder deze maand een offensief vanuit het noorden begonnen.

Een zucht van verlichting ging de afgelopen week door Bamako. Zelfs Sanogo, die vorig jaar maart een coup leidde, gaf zijn verzet tegen een militaire interventie op en bezocht afgelopen weekeind de frontlinie bij de stad Mopti. Onderwijzer Youchaou gelooft niet dat zijn leger een grote rol kan spelen bij de strijd. „Al jaren gaan Malinezen in het leger louter om een salaris op te strijken, niet om te vechten. Ze sloegen op de vlucht bij het offensief. En weet u wat de commandant aan het front als reden gaf voor de nederlaag? Dat alle soldaten net aan hun avondmaal waren begonnen toen de aanval van start ging.”

Sanago en zijn jonge kameraden wierpen het burgerbewind van president Touré omver op even klungelige manier als ze de afgelopen dagen de moslimextremisten op afstand probeerden te houden. In maart vorig jaar wilden ze bij Touré protesteren tegen het gebrek aan wapens. Toen ze het paleis binnendrongen en de president niet aantroffen, besloten ze uit angst voor repercussies de macht maar over te nemen. Ze kozen Sanogo tot hun leider. Die zat echter dronken in een bar en kon pas na enkele uren een rede op televisie houden waarin hij de staatsgreep aankondigde. „Zou u vertrouwen hebben in een dergelijk leger?”, lacht Youchaou zuurtjes.

Vooralsnog gaat het leven in Bamako gewoon door. De brommers razen als normaal in een van de snelst groeiende steden ter wereld. Het is winter, dus slechts 30 graden.

Bewoners merken nog weinig van de gevechten, die de Fransen op honderden kilometers afstand voeren. Zij volgen het verloop via de kranten, die veel meer worden verkocht dan voorheen. Onder een boom leest een groepje mannen de koppen. „De overwinning is zeker”, kopt het ene dagblad. „Een bommentapijt valt op de indringers”, schreeuwt een andere voorpagina.

Het nieuws over de gijzeling in Algerije boezemt de krantenlezers angst in. „Dit soort aanslagen kunnen ze ook in Bamako gaan uitvoeren”, zegt Bassivou Coulibaly, chauffeur bij een transportbedrijf. „De terroristen geloven dat ze naar de hemel gaan als ze in de heilige oorlog sterven, maar wij gematigde moslims gaan echt dood door deze strijd. Als ons leger ze niet kan tegenhouden, moeten alle burgers van Mali de wapens opnemen en tegen ze vechten”.

Een oudere man met zijn dochtertje op de arm kijkt bezorgd toe. „Maar de mannen met de lange baarden bevinden zich al in Bamako”, roept hij uit. „Ze verbergen zich onder de bevolking. Gisteren heeft de politie er acht opgepakt. We moeten waken voor de vijand in ons midden.” Hij ziet een complot van Arabische landen. „De Arabieren willen Afrika innemen en ons hun religie en manier van leven opleggen. Wij hebben onze eigen levenswijze, Malinezen zijn gematigde en tolerante moslims.”

Journalist Mamadou Kalogo voegt zich bij het gezelschap onder de boom. „Het is een godgeschenk dat de Fransen kwamen”, zegt hij, een kopje sterke groene thee drinkend. „Frankrijk is een deel van ons geworden door zestig jaar kolonialisme. Zeker, we werden door ze gedomineerd, maar we waren geen slaven en dat worden we wel wanneer de extremisten in Bamako arriveren.”

Gelooft hij dat de mannen met de lange baarden al in de hoofdstad zijn? „Zeker, ze zijn hier. Er zijn Malinezen die hen steunen, maar dat is een kleine minderheid. Ze willen ons naar de zesde eeuw terugvoeren en de shari’a invoeren. Ze willen handen, voeten en hoofden gaan afhakken. Malinezen willen die fundamentalistische islam niet.” Alle krantenlezers stemmen met hem in. En als ze toch komen? „Dan wordt het een burgeroorlog”, zegt Kalogo.