Auto van de week

De tragische vergankelijkheid van de oude Jaguar.

Op InterClassics, de AutoRai voor oldtimers in Maastricht, vorig weekend, staan grofweg twee soorten auto’s: beleggingsobjecten en liefhebbersvoertuigen. Het verschil, overige prijsbepalende factoren buiten beschouwing latend, is zeldzaamheid. Een Mercedes 300 SL ‘Vleugeldeur’, van 1954 tot 1956 in kleine oplage geproduceerd, is spectaculair geklommen naar een ton of zeven. Wie met winstoogmerk bijtijds een goede heeft gekocht, loopt slapend binnen. Een typisch liefhebbersding is de Jaguar XJS, als coupé en cabriolet geproduceerd van 1975 tot 1996. Een monumentale, prachtige, onderhoudsgevoelige cruiser met zes of twaalf cilinders. De prijzen variëren al naar gelang de staat, kilometerstand, uitrusting en de naïviteit van de verkoper; een dure kan 25.000 euro kosten, maar veel duurder worden ze nooit. De auto is niet uitzonderlijk genoeg. Voor kopers die zich hem net kunnen veroorloven, zijn de brandstof- en onderhoudskosten op of over het randje. Als er genoeg wegrotten, houden de beste exemplaren hun waarde, maar daarvoor moet de eigenaar zoveel investeren dat hij net zo goed meteen voor het driedubbele een waardevaste Porsche kan aanschaffen. Uit die vicieuze cirkel zal de XJS nooit komen. Het is met een gevoel van melancholie dat de beursbezoeker in Maastricht de uitgestalde exemplaren aanschouwt. Hij ziet de grote, tragische vergankelijkheid van de onrendabelen.

    • Bas van Putten