Aan kou went niemand

Gezegd is dat Roald Amundsen als knaap ’s winters altijd met de ramen wijd open sliep om zich te harden tegen de felle Noorse kou. Het kan ook zijn dat het gezegd is van Fridtjof Nansen, dat viel zo gauw niet meer na te gaan. De twee deden niet voor elkaar onder, ook niet als knaap.

Captain Oates van de Inniskilling Dragoons, die door Scott was aangetrokken voor de verzorging van de Mantsjoerijse pony’s waarmee hij naar de zuidpool wilde, waste zich dagelijks in de buitenlucht, in lucht waarvan de temperatuur ver, ver beneden nul lag. En nog deze week waren op de televisie Japanse vechtsportertjes te zien die in hun kimonootjes buiten op het besneeuwde strand moesten vechtsporten. Zó sterk is het geloof in de mogelijkheid om je tegen kou te harden.

De vraag is dus: kan dat dan? Daarop kan hier geen definitief antwoord worden gegeven, want de doorslaggevende literatuur ter zake was niet te vinden. De informatie voor vandaag komt voornamelijk uit het boek Man in the Antarctic dat al in 1988 verscheen (bij Taylor&Francis) en sinds die tijd ongelezen in de kast stond. Het was waarschijnlijk een impulsaankoop die wat tegen viel.

Bij nader inzien blijkt het de beschrijving van de eerste poging om in een daartoe speciaal uitgeruste expeditie wetenschappelijk na te gaan hoe de zuidpoolkou ingrijpt in het menselijk gestel. Daar was het tot 1975 nooit van gekomen omdat de SCAR, het wetenschappelijk comité dat adviseert over onderzoek op Antarctica, het thema niet de moeite waard vond. Uiteindelijk is de SCAR gezwicht voor de druk van een aantal dokters, vooral Britse dokters. Tussen eind 1980 en begin 1981 hebben die, met nog wat jongere en oudere wetenschappers, 12 in totaal, op de zuidpool zelf nagegaan wat kou met lichaam en geest doet. Te vrezen valt dat de SCAR daarna verder onderzoek voor jaren heeft tegengehouden.

Toch hadden de dokters en hun kameraden er goed over nagedacht. Zij zouden de toestand van lichaam en geest eerst in Sydney goed in kaart brengen, dan naar Antarctica varen en vervolgens, tijdens een tocht van de Franse basis Dumont d’Urville naar het Antarctisch binnenland en terug, kijken hoe die twee aangetast zouden raken. Door de ontberingen. Tenslotte zouden ze, terug in Sydney, opnieuw wetenschappelijk vaststellen hoe de vlag erbij hing. Fase III was dat.

Bovendien hadden de dokters een experiment bedacht. De helft van de deelnemers zou tijdens fase I, dus nog in Sydney, twee weken lang dagelijks een uur in koud water moeten liggen. Water van 15 graden. Dat was de badgroep B. De andere zes expeditieleden die de beproeving niet hoefden te doorstaan vormden de controlegroep C. Het zou dan interessant zijn, hadden de dokters bedacht, om te kijken of er tijdens de tocht van Dumont d’Urville naar het binnenland en terug, in bittere kou op oncomfortabele skidoo’s (sneeuwscooters), verschillen tussen de badgroep en de controlegroep naar voren zouden komen. Hier werd, begrijpt men, onderzocht of het mogelijk is zich tegen de inwerking van kou te harden.

Het heeft niets opgeleverd en het is een genoegen om te lezen hoe de dokters dat in 223 bladzijden tekst weten te verhullen. De groep werd door de ene na de andere tegenslag getroffen. De Fransen met wie ze per skidoo zouden meereizen wilden bij nader inzien helemaal niet zo diep het binnenland in. Het weer wilde maar niet bar worden, de temperatuur daalde maar zelden beneden de min 15 en het zonnetje bleef er prettig bij schijnen. De wind werd geen storm, enzovoort. Methodologisch problematisch was dat de onderzoeksgroep zo klein was dat elk lid zowel subject als experimentator was. Blinde, laat staan dubbelblinde proeven waren praktisch uitgesloten. En de individuele verschillen in de toestand van lichaam en geest waren zo groot dat er nooit een statistisch significant verschil tussen badgroep en controlegroep aan het licht is gekomen. Dat kwam ook doordat de dokters bij somatisch ongerief onmiddellijk zelf aan het dokteren sloegen waardoor hun rol als passief ‘subject’ zomaar kon veranderen.

Het was allemaal helemaal hopeloos. Er was thuis, achter het bureau, zo’n intensief meetprogramma ontworpen dat de testen zelf de voornaamste beproeving op Antarctica werden. Sommigen onttrokken zich van lieverlee aan het gedoe. Het werd ze niet duidelijk wat het voor zin had om geregeld je vinger in smeltend ijs te steken. Of je hele hoofd in een emmer koud water. Of om steeds weer opnieuw sommen op te lossen. En dan die eindeloze psychologische vragenlijsten. (Als het vandaag vakantie was, met welk teamlid zou je dan het liefst op reis gaan?) Een enkeling van de badgroep was trouwens al in Sydney gedeserteerd.

De heren van Gip Gap Gonië zijn er niet uitgekomen. Dat koude bad is misschien alleen nuttig als je je heel snel aan kou wil aanpassen, schrijven ze in hun conclusie. Maar ‘instant adaptation’ is natuurlijk wat anders dan: vooraf gehard raken.

Gelukkig verwees de bibliografie van het boek naar onderzoek dat tot op de dag van vandaag wordt voortgezet: onderzoek naar de effecten van ‘winter swimming’. In Scandinavië, maar ook in Duitsland en Polen, maken sommigen er een gewoonte van gedurende de wintermaanden dagelijks een kort maar ijskoud bad te nemen. Vijf minuten, tien minuten hooguit, maar dan wel in water waarop soms ijs ligt. Dit is de tegenhanger van het bad van de badgroep uit 1980.

Winterzwemmers denken dat winterzwemmen goed is voor de gezondheid en dat je na een paar maanden winterzwemmen beter tegen de kou kunt. Dat de ijskoude onderdompeling een onmiddellijk effect heeft op bloed en urine lijkt wel zeker. Maar dat de winterzwemmer aan het eind van de winter een beter ‘general well-being’ heeft dan de proefpersoon die op het droge bleef, zoals de International Journal of Circumpolar Health in 2004 concludeerde lijkt een pijnlijke vergissing. Kijk het zelf na.

Vandaag belangrijk is dat de International Journal of Biometeorology al in 1977 vaststelde dat Deense winterzwemmers geen voorkeur voor een lagere kamertemperatuur ontwikkelden. Het moest altijd 25°C zijn, met of zonder zwemmen. 25°C! In Denemarken. Hier is een averechts effect zichtbaar dat nog nader onderzoek behoeft.

Waarom moesten de 12 dappere dodo’s uit 1980 hun middelvinger in smeltend ijs steken? Doe het zelf eens: plak er een thermometertje aan en laat hem een half uur, of liever nog: een uur in het ijs zitten. Zijn temperatuur daalt tot misschien wel 15 graden, maar kan opeens weer oplopen tot 25 graden, dan weer opnieuw gaan dalen tot 15 enzovoort. Deze ritmische ‘hunting response’ kwam hier al eens eerder ter sprake. De veronderstelling was dat het dagelijkse koude bad de response zou veranderen. Maar het kwam er niet uit.