Want hun ouders kunnen de stad niet uit

Ooit liepen steden leeg, dat is nu niet meer zo. En wie toch weg wil, kán dat niet eens door de crisis op de woningmarkt.

Verslaggever

Het wordt drukker in de vier grote steden, sinds de eeuwwisseling groeien ze weer flink. Niet alleen door de komst van buitenlandse migranten en de geboorte van meer baby’s, maar ook door binnenlandse migratie: in de grote steden vestigen zich meer mensen uit de rest van Nederland dan er vertrekken. Die laatste trend begon in Utrecht, toen die gemeente Leidsche Rijn annexeerde. Daarna volgden heel vlug de andere drie grote steden, zo blijkt uit onderzoek van het Planbureau voor de Leefomgeving. Hoe komt dat? Drie oorzaken:

1De huizenmarkt zit op slot. Steden zijn vanouds aantrekkelijk voor jongeren, ze komen om te studeren. Nieuw is dat ze na hun studie langer in de stad blijven wonen, óók als ze kinderen krijgen. Jonge gezinnen vertrekken sinds kort niet meer massaal naar groeisteden als Almere, Barendrecht, Zoetermeer of Nieuwegein. Oorzaak is vooral de economische crisis en de situatie op de huizenmarkt: jongeren kunnen geen huis kopen en blijven noodgedwongen op hun studentenkamers of etages. „De landelijke cijfers laten zien dat alleenstaanden nog steeds evenveel verhuizen als voor de crisis, maar het aantal paren met kinderen dat verhuist is na 2008 met een kwart afgenomen. Dat zijn precies de categorieën die voor de crisis uit de stad wegtrokken en nu opteren voor het motto blijf zitten waar je zit”, zegt Jan Latten, hoogleraar demografie aan de universiteit van Amsterdam en werkzaam bij het Centraal Bureau voor de Statistiek. (CBS). Zo wordt het snel voller in de stad. Dat basisscholen in Amsterdam geen plaats hebben voor alle kleuters is dan ook logisch. „Daar kon je op wachten”, zegt Pieter Tordoir, hoogleraar economische geografie en planologie aan de Universiteit van Amsterdam. De ‘zittenblijvers’ veroorzaken een volgens hem „unieke ontwikkeling”: voor het eerst sinds lange tijd neemt het aantal personen per huishouden in grote steden toe. Aan ‘huishoudverdunning’ (yuppen, stellen met één kind) lijkt voorlopig een einde gekomen. „Tamelijk abnormaal.” Overigens is die trend nog niet goed te zien in CBS-cijfers: in 2011 lag het gemiddelde aantal personen per huishouden in Amsterdam rond de 1,8, net als de twaalf jaren daarvoor. Dat komt doordat óók het aantal singles groeit.

2Binnensteden zijn opgeknapt. Nederland groeide vanaf de jaren zestig als geheel flink, maar uit Amsterdam vertrokken in 1980 per saldo nog ongeveer 14.000 personen, en uit Rotterdam, Den Haag en Utrecht respectievelijk 9.000, 5.000 en 4.000 mensen, ondanks de toestroom migranten in die decennia. Die leegloop is gestuit. Verloederde stadsdelen zoals de Haagse Schilderswijk zijn opgeknapt. In Rotterdam is de Kop van Zuid ontwikkeld. Stationsgebieden en oude bedrijventerreinen zijn gesaneerd en veelal met appartementen bebouwd. Ook aan de rand van de steden is fors gebouwd: Utrecht kreeg er ruim tien jaar geleden een compleet nieuw stadsdeel bij, Leidsche Rijn. Den Haag bouwde Ypenburg en Leidschenveen. Amsterdam heeft IJburg. Huisjes met tuinen, binnen de stadsgrenzen. Wegtrekken uit de stad is daardoor niet meer nodig. De keerzijde: ‘suburbs’ zoals Zoetermeer, Lelystad en Nieuwegein lijden hieronder. Hoogleraar Tordoir ziet in de herstructurering daarvan de „grootste opgave in de komende dertig jaar”. De suburbs zitten vol met bewoners in koophuizen die niet kunnen verhuizen. Deze oude groeikernen zijn minder aantrekkelijk voor jongeren dan steden met universiteit of hogeschool.

3Grote steden zijn aantrekkelijk. Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht werken als een magneet, net als grote steden in de rest van de wereld. In 1995 woonde 39 procent van de Nederlandse bevolking in de dichtst bebouwde gemeenten, in 2010 was dat al 48 procent. „De verstedelijking blijft doorgaan”, zegt Luca Bertolini, hoogleraar planologie aan de universiteit van Amsterdam. Attractief zijn de steden vooral door de banen en de voorzieningen. Bertolini: „Juist in het internettijdperk blijkt fysiek contact van groot belang. Om te onderhandelen, om creativiteit te ontwikkelen. Om dingen mee te maken. In de stad wonen is handig door de korte afstand tot al die voorzieningen, een afstand die bij voorkeur met de fiets of bakfiets kan worden afgelegd. Er is zelfs sprake van een „nieuwe generatie” stadsbewoners, signaleert hoogleraar Jan Latten. Dit „veranderend publiek” bestaat uit goed opgeleide, autochtone tweeverdieners met kinderen die willen kiezen uit een veelheid aan banen, en die ook graag gebruik maken van voorzieningen zoals crèche, permanent geopende winkels en cultuur. Latten: „Persoonlijk denk ik dat het ook te maken heeft met het gewicht dat de nieuwe generatie toekent aan de eigen individuele wensen. Die wil niet zomaar voor de kinderen afstand doen van de geneugten van het stedelijk leven en verhuizen naar een huis met een tuin. En de kinderen? Die gaan gewoon mee. Naar de bibliotheek. Naar de boekhandel. Naar uitgaansgelegenheden.”