Vier lijken en een imbeciel

Ruth Rendell: De grafkelder. Vert. Rogier van Kappel. A. W. Bruna, 224 blz. € 19,95 ***

Hoofdinspecteur Reginald Wexford is met pensioen en pensioen past hem niet, zo blijkt. Dat geldt ook voor zijn schepper, de 83-jarige Britse schrijfster Ruth Rendell die, na geruchten als zou het 22ste Wexford-avontuur Slapende honden (2009) het laatste zijn, toch weer een nieuwe thriller aan hem wijdt. De grafkelder is vooral opmerkelijk omdat het moorden oplost die werden gepleegd in een ander boek van Rendell, het prachtig ziekelijke Streling voor het oog (1998), waarin Wexford helemaal niet voorkomt.

Rendell is terecht bewierookt met epitheta als ‘de koningin der thrillers’, maar de boeken uit de Wexford-reeks zijn niet haar beste. In interviews wekt ze de indruk dat ook te vinden; haar opzichzelf staande thrillers en de psychologische thrillers die ze onder het pseudoniem Barbara Vine schrijft, zijn superieur. Maar reeksen over één en dezelfde hoofdfiguur zijn een bestendige inkomstenbron; ze verkopen beter en veranderen bij succes vanzelf in lucratieve tv-series. Het leuke is dat Rendells lichte antipathie jegens de hoofdfiguur van wie ze financieel afhankelijk werd, goed werkt.

Wexford is een iets te brave familieman, verknocht aan vrouw Dora en zijn woon- en werkterrein Kingsmarkham. Nu stuurt Rendell hem met pensioen en naar Londen waar hij in het koetshuis van zijn rijke dochter van de rust geniet die hij niet voelt. Als een oud-collega hem vraagt onbezoldigd – en feitelijk onbevoegd – adviseur te zijn bij een moordonderzoek in Londen is Wexford subiet pensionado af.

In een stortkoker voor kolen in een dure achtertuin worden vier lijken gevonden, eentje meer dan in Streling voor het oog, dat ook in Orcadia Cottage speelde, een villa in het gebied benoorden Regent’s Park. Het is voor de lezer van Streling voor het oog bevredigend te zien dat het moordwerk van psychopaat Teddy Brex nu door buitenstaanders wordt ontdekt en ontrafeld. Maar het is beslist mogelijk De grafkelder te lezen zonder het eerdere boek te kennen, al zijn ze in tandem intrigerender.

Het oplossen van de oude moorden doet ‘Reg’ weer voortreffelijk, alhoewel hij er ditmaal wel een aantal iets te mooie toevalstreffers voor nodig heeft, zoals wandelen door een wijk en daar toevallig een naambordje zien hangen met daarop een persoon dat hem verder helpt, namelijk Francine, ook al een bekende uit Streling voor het oog.

Dat wandelen van Wexford is fijn voor wie het Londen van St. John’s Wood en Hampstead een beetje kent; je loopt zo met hem mee over de kaart. Maar toch: wie een echt heel goede Wexford lezen wil, neemt Kissing the gunner’s daughter (1991, niet meer in vertaling). Moge Wexford nu toch maar tegenstribbelend van zijn pensioen gaan genieten. Rendell zelf zeer beslist liever niet.

    • Robert Gooijer