Van tijgers naar 'Cats'

Het gebouw is een held. Al meer dan 125 jaar, sinds zijn oplevering op 3 december 1887, staat het onverzettelijk aan de hoofdstedelijke Amstel. Monumentale, neoklassieke zuilen dragen de imposante overkapping van bijna veertig meter. Het balkon over de gehele breedte is versierd met ijzerwerk. In felrode, reusachtige letters prijkt de naam op dit theaterpaleis: Carré.

In het boek Een plek om lief te hebben. Geschiedenis van Carré van mediahistorica Mariëtte Wolf speelt het gebouw de hoofdrol. Circusdirecteur en paardenmenner Oscar Carré heeft het theater met ongeëvenaarde energie en vasthoudendheid op de rivieroever doen verrijzen. Carré (1845-1911), telg van een circusdynastie, ondervond van de Amsterdamse gemeente niets dan tegenwerking om zijn droom te vervullen: een stenen theater voor zijn paardenspel van hoogstaande dressuur.

Eigenlijk mocht deze circusartiest met zijn menagerie zich nergens vestigen. Hij werd opgejaagd tot in de uithoeken van de stad. Uiteindelijk vond hij zijn bestemming aan de Amstel. Hier bereikte hij het summum van de toenmalige hippische cultuur: de Hochstand met acht Trakehner-hengsten. Alom wekte zijn theater bewondering. Een correspondent van de Nieuwe Rotterdamse Courant schreef: ‘Het is een paleis, dat u door zijne afmetingen niet alleen, maar door zijne inrichting aan iets vorstelijks doet denken. Breede toegangen, gemakkelijke trappen, fraaie koffiekamers en foyers – en dan de hoofdzaak: eene kleurrijk gedecoreerde zaal, imposant door haar wijdte en hoogte.’

Meesterzet

Paardenkoning Carré deed met de inrichting van de zaal een architectonische meesterzet: hij bouwde zowel de ronde piste als het rechthoekige podium. Het is dankzij dit toneelpodium dat het circustheater de woelingen van de tijd kon doorstaan: veel circustheaters werden in het begin van de 20ste eeuw gesloopt wegens gebrek aan belangstelling. Amusement, operette, variété, bokswedstrijden en Amerikaanse showgirls verdrongen de acts met paarden, clowns, olifanten, tijgers. Ternauwernood ontsprong Carré in de jaren zestig de sloopdrift van projectontwikkelaars, die op die plek een buitensporig chique hotel wilden laten verrijzen.

De strijd van Oscar Carré voor zijn theater krijgt in de visie van Mariëtte Wolf heroïsche contouren. Hij verwerft de allure van een heilige. Wolfs bewondering voor alles wat met directeur Carré heeft te maken, zelfs als het kinderarbeid betreft van de jongste telgen uit de familie, komt dichtbij de hagiografie. Soms snak je als lezer naar meer distantie en naar een duidelijker perspectief. Dat neemt niet weg dat het archiefonderzoek van Wolf bewonderenswaardig is. Ze heeft een overstelpende hoeveelheid materiaal achterhaald en in dit rijk geïllustreerde boek ondergebracht. Wanneer de hegemonie van Carré voorbij is, krijgt de geschiedenis van het theater meer contour. Terecht verschuift het perspectief naar de kunstenaars die er optreden en de ontwikkeling in de amusementskunsten. De dans om het gebouw wordt af en toe zelfs spannend.

Mooi geportretteerd is de auditie die een zenuwachtige jonge komiek in mei 1942 deed bij de toenmalige directeur Alex Wunnink. Cabaretier Toon Hermans herinnert zich dat hij in een kleedkamer ‘de clown’ moest gaan uithangen met op drie meter afstand de autoritaire baas met een ‘sigaar in z’n kop.’ Hermans had zich geschminkt als zijn grote voorbeeld, clown Johan Buziau (1877-1958) die tussen de Wereldoorlogen triomfen vierde. Wit gezicht, tomaatrode dopneus, bolhoed. Hermans kreeg het advies zijn geluk elders te beproeven, in het kleinere Leidsepleintheater. Dat weerhield hem er twintig jaar later niet van zijn eerste legendarische onemanshow in Carré te geven ten overstaan van ruim 2000 toeschouwers. Daar stond hij, alleen in dat wonderbaarlijke theater waar de stalgeur van de paarden nog hing.

Met zijn optreden veranderde de bestemming van Carré. Aan Hermans komt de eer toe dat hij als trait d’union fungeert tussen Buziau als representant van het aloude circus en hedendaagse cabaretiers als Herman van Veen, Freek de Jonge, Herman Finkers en Youp van ’t Hek.

Het is opzienbarend hoeveel metamorfosen qua programmering, verbouwingen, dreigende faillissementen, bijna-doodervaringen en artistieke koerswijzigingen Theater Carré heeft doorstaan. Zo stonden er baanbrekende voorstellingen als Reconstructie, Einstein on the Beach, Live/Life van Hans van Manen en Café Müller van het Wuppertaler Tanztheater Pina Bausch. Met En nu naar bed van Annie M.G. Schmidt en Harry Bannink krijgt Carré in 1971 zijn eerste oorspronkelijke Nederlandse musical, en geen zoveelste Broadwayvariant. En met de reeks opvoeringen van Cats (1987) bereikt Carré een hoogtepunt in bezoekersaantallen, ruim een half miljoen verdeeld over 555 voorstellingen.

Paardenpaleis

Met terugwerkende kracht is de liefdevolle bewondering van Mariëtte Wolf begrijpelijk, hoewel zij er te veel een succesverhaal van maakt. Het oorspronkelijke paardenpaleis met zijn bewogen verleden is niet weg te denken uit het Nederlandse theaterleven. Een grootscheepse verbouwing in 2004, waarbij zo goed als het hele theater werd gestript en gerenoveerd, zorgde voor een gloednieuw interieur dat wonderwel aansluit bij het bouwwerk van Oscar Carré. Historische ornamenten zijn hersteld en acht kroonluchters van Swarovski zijn ontworpen in de stijl van de authentieke, bolvormige gaslampen. De programmering wordt zo breed dat zelfs kapsters er terecht kunnen voor een congres, bokswedstrijden in ere zijn hersteld en Carré plaats biedt aan een lijsttrekkersdebat. Dat inspireerde Freek de Jonge tijdens de avond Mokum in Carré, van Breero tot Shaffy (8 juni 2012) tot de hekelende opmerking dat het theater ‘van zijn liefde op het eerste gezicht’ is verworden tot een ‘evenementenhal’. Voor Van Veen en Van ’t Hek heeft Carré niets van zijn bekoring verloren; zij ervaren nu nog de magie van het theater. Of, zoals Van Veen het formuleerde: ‘Dankzij de aloude circusvorm is Carré het intiemste theater dat ik ken. Het is of de zaal de artiesten omarmt.’

Op 3/4 heeft in Carré de Buitengewone Galavoorstelling plaats vanwege het 125-jarig jubileum.

    • Kester Freriks