'Politici zijn bang voor cultuur'

De gevierde Spaanse schrijver Juan Marsé is 80 en schrijft voort. Een anti-politicus, die in een dictatuur opgroeide: ‘In een perfecte wereld hoeft niemand romans te schrijven.’

Spanish author Juan Marse poses at his home in Barcelona, Spain on January 31, 2012.

Het was niet meer dan een berichtje van een paar regels in een lokale krant: Juan Marsé had zijn 80ste verjaardag zonder toeters en bellen gevierd met een etentje voor een man of twintig. Geen speciale uitgaven, geen lintje, festival of lezingenavond. Hij had er geen trek in. De ochtend na zijn verjaardag zit Marsé rustig thuis in Barcelona. „Een paar weken geleden zat er iemand van de Catalaanse overheid in de stoel waar u nu zit,” zegt Marsé in zijn met boeken volgestouwde werkkamer. „Ze wilden een openbaar evenement organiseren, een eerbetoon, maar dat heb ik geweigerd. Ik sta niet graag in het middelpunt van de belangstelling. Bovendien vind ik dat een schrijver zich verre moet houden van de macht.”

Die laatste opvatting is niet verwonderlijk voor een Spanjaard uit de generatie van Marsé (8 januari 1933). Hij groeide op onder de Franco-dictatuur, toen de censuur vrijwel alle literaire activiteit aan banden legde. Hij sjeesde als student, werkte als horlogemaker en debuteerde in 1961. Zijn vorig jaar vertaalde roman Últimas tardes con Teresa (1966) werd een moderne klassieker. Het verhaal van de liefde tussen de beeldschone, arme en hondsbrutale motordief Manolo en de rijke, progressieve studente Teresa sloeg in als een bom. Onomwonden beschreef Marsé de bevrijding van een generatie, ruim een decennium vóór de dood van de dictator. De laatste middagen met Teresa – meesterlijke satire, liefdesverhaal en schelmenroman ineen – werd hét boek van de naoorlogse generatie die het democratische Spanje zou opbouwen.

Na de dood van Franco zou de anti-politicus en verhalenverteller Marsé een van de kopstukken van literair Spanje blijven, een van de auteurs die het open en liberale beeld van Barcelona hielpen vormen, onder meer door romans als Si te dicen que caí (1973) en El amante bilingüe (1990). In 2008 kreeg hij de Premio Cervantes, de hoogste eer voor een schrijver uit het Spaanse taalgebied. En hij schrijft nog rustig verder: twee jaar geleden verscheen zijn jongste roman.

Maakte uw jeugd in een dictatuur u wantrouwig ten opzichte van de politiek?

„Dat weet ik niet. Ik vind dat een schrijver altijd in de culturele frontlinie moet staan, maar ver van de macht blijven. We moeten onafhankelijk zijn. Je zou kunnen zeggen dat ik in een verkeerde tijd ben geboren. Er was dictatuur, een samenleving vol censuur. Ik voelde me niet thuis. Maar dat is geen ramp: het is in zekere zin de taak van schrijvers om ons slecht op ons gemak te voelen in de wereld. Dat geeft stof tot schrijven. In een perfecte wereld hoeft niemand romans te maken.”

Dat is niet de opstelling van veel Catalaanse schrijvers. Die maken zich hard voor onafhankelijkheid. Zij willen de staat naar hun inzicht hervormen.

„Ik heb daar geen affiniteit mee. Het vaderland van de schrijver is el lenguaje, het taalgebruik – niet la lengua, de landstaal. Het probleem van de nationalisten is dat zij de taal met het land verwarren. Ook in historisch opzicht zijn er te weinig redenen voor Catalaanse onafhankelijkheid. Deze stad is er juist altijd een van migranten geweest. Uit de rest van Spanje, zoals Manolo de Andalusiër uit De laatste middagen met Teresa. Dat gaat over een jongen die een plaats probeert te vinden in de Catalaanse maatschappij. Nu geldt hetzelfde voor de jongens uit Marokko en de Aziaten waar de stad vol mee zit. Daar moet je niet allemaal Catalanen van willen maken.”

Uw werk wordt niet in het Catalaans vertaald.

„Dat heb ik altijd geweigerd. Het levert niets op, alle Catalanen spreken en lezen Spaans, dus zij kunnen de boeken al lezen. Onder Franco werd het Catalaans onderdrukt, nu worden veel Spaanstalige auteurs genegeerd.”

Misschien zouden Catalaanse vertalingen u meer steun geven.

„Waarom? Ik ben nog nooit een politicus tegengekomen met belangstelling voor cultuur. Ze zijn er bang voor, dat is het enige.”

Toch is ook De laatste middagen met Teresa een politiek boek. Het is een ode aan een soort persoonlijke vrijheid die op dat moment niet bestond in Spanje.

„Het is ook omschreven als een satire op de Catalaanse burgerij, maar dat was niet wat ik voor ogen had. De laatste middagen met Teresa komt voort uit mijn eigen verlangen om een verhouding te hebben met een blond meisje met blauwe ogen, uit gegoede kringen. Dus toen ik Teresa beschreef, moest ik haar de aankleding van een burgermeisje geven. Ik wil dat mijn verhaal de maatschappij realistisch weergeeft, maar zonder politiek of sociologisch doel. Uiteindelijk is Teresa vooral een liefdesroman.”

Eén waarin de liefde pas tot bloei komt wanneer de geliefden zich niets meer aantrekken van hun ideologische motieven. Aanvankelijk ziet Manolo Teresa als een mogelijkheid om te stijgen op de sociale ladder en ziet zij hem als een militante arbeider. Zit ideologie literatuur in de weg?

„Toen ik jong was dweepte ik met Balzac, waardoor ik van alles te weten kwam over de Franse maatschappij in de 19de eeuw, zoals Dickens me heel veel heeft geleerd over het Engeland van zijn tijd. Maar dat was nooit waar het me om te doen was: ik was steeds op zoek naar de emoties, naar de gevoelens van de personages. De rest dient alleen om het verhaal geloofwaardig te maken.”

Uw oeuvre lijkt voort te komen uit de overtuiging dat overal mooie verhalen te vinden zijn. Uw laatste boek begint met de verzuchting dat een bepaalde arme straat in Barcelona geen goed decor voor een tragedie lijkt – waarna die toch volgt.

„De kalligrafie van dromen is een van mijn meest autobiografische boeken. Toen ik een jaar of vijftien was zagen we elke zondag een vrouw haar niet zo mooie dochter naar een dansmiddag brengen, in een duidelijke poging om een verloofde voor haar te vinden. Ze liepen dicht tegen elkaar aangedrukt, arm in arm – weer of geen weer. Het was een meelijwekkend gezicht. De vrouw kwam tijdens het dansen altijd een paar glazen drinken in de bar. Het leverde nooit iets op, het meisje werd maar heel soms ten dans gevraagd. Daar wilde ik een verhaal over schrijven, maar zoals die dingen gaan: het breidde zich uit tot een roman.”

Gaat het schrijven u na een halve eeuw gemakkelijker af?

„Was het maar waar. Alles wat ik opsteek bij het schrijven van de ene roman, blijkt me helemaal niets te hebben geleerd voor de volgende. Het gevoel dat je niets bruikbaars in handen hebt, verdwijnt niet. Ik begin altijd met het schrijven van bijzonder slechte eerste versies van een verhaal. De oplossingen komen wel, maar het kost nog evenveel tijd als jaren geleden. Ik betrap mezelf erop dat ik scrupuleuzer word, me kritischer opstel. Vroeger was ik sneller tevreden met een matige zin, nu blijf ik schaven. En heb ik dus het gevoel dat ik helemaal niets heb geleerd.”

Herleest u uw eigen werk?

„Niet voor mijn plezier. Bij een nieuwe uitgave corrigeer ik de drukproeven en verander ik kleine dingen aan zinnen die me niet bevallen. Gisteren heb ik voor mijn verjaardag een ingebonden exemplaar gekregen van de door mij gecorrigeerde versie, op basis waarvan de laatste druk is gemaakt. Kijkt u maar, op elke pagina is wel iets kleins veranderd – maar ik wil niet hele stukken schrappen.”

Uw loopbaan omspant een halve eeuw literaire cultuur in Spanje. Heeft u nooit overwogen een autobiografie te schrijven?

„Er is al een journalist die werkt aan een biografie over mij. Hij ontdekt allerlei dingen die ik niet weet. Zo blijk ik twee dagen later te zijn geboren dan in mijn paspoort staat. Mijn tachtigste verjaardag was dus eigenlijk niet gisteren, maar morgen. Maar ook morgen zal ik er niet veel aan doen.”

Juan Marsé: De laatste middagen met Teresa. Vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu. Signatuur, 400 blz. € 22,95. Van 1 februari tot 1 mei kost het boek € 19,95. De vertaling van De kalligrafie van dromen verschijnt komende herfst.

    • Arjen Fortuin