Midden- en kleinbedrijf is de echte topsector

Nederland steunt met innovatie de verkeerde sectoren. Zet in op kleine bedrijven, vinden

Jan-Willem de Bruin en Manuel Buitenhuis.

Het kabinet is naarstig op zoek naar manieren om de economische motor van Nederland aan te zwengelen. Innovatie lijkt het toverwoord te zijn. Een belangrijk instrument is het zogeheten topsectorenbeleid, waarmee het kabinet jaarlijks bijna 300 miljoen euro steekt in tien traditionele industriële sectoren.

Het idee dat dit de beste manier is om innovatie te bevorderen, is achterhaald.

In onze veranderende economie vindt innovatie niet langer plaats binnen de traditionele grote bedrijven, maar op de scheidsvlakken tussen sectoren en binnen kleine bedrijven. Als we de kenniseconomie serieus nemen, moet dit ook in beleid worden erkend. Het topsectorenbeleid moet worden afgeschaft.

Hoewel kabinet na kabinet op Nederland als ‘kenniseconomie’ heeft ingezet, lijkt het – als we naar het geld kijken – vooral te zijn gebleven bij holle frasen. Nederland investeert evenveel in innovatie als relatieve laagvliegers Portugal en Italië. Ook de private sector investeert weinig, vanwege de gebrekkige infrastructuur.

Het Nederlandse overheidsbudget voor onderzoek en innovatie zal de komende jaren eerder worden uitgekleed dan uitgebreid, terwijl landen als Duitsland en Finland – die de afgelopen jaren wel veel geïnvesteerd hebben in kennis, innovatie en onderwijs – sterker uit de financiële crisis komen. Zelfs de Amerikaanse overheid trekt 100 miljard extra uit voor fundamenteel onderzoek en innovatiebeleid, ondanks grote tekorten. In het beleid richt de Amerikaanse regering zich op sectoren waar markten onvoldoende concurrentie en prikkels ervaren, zoals de schone autotechnologie.

Die bedragen zijn evenwel niet het grootste probleem; het geld wordt verkeerd uitgegeven. Het ministerie van Economische Zaken richt zich op tien sectoren waarin Nederland de komende jaren zou moeten excelleren. Het betreft vooral de oude traditionele industrie, met bedrijven als Philips en Unilever. Dit betekent dat het Nederlandse innovatiebeleid sterk gecentreerd is rond de grote ondernemingen van vandaag.

Trends voorspellen daarentegen dat de economie van morgen andere kansen benut dan die van vandaag. De instroom van steeds meer zelfstandigen zal de arbeidsmarkt flexibiliseren. Innovatie zal vooral gebeuren op hoogtechnologisch gebied, in kleine, nieuwe bedrijfjes. Deze kunnen hun creativiteit snel en flexibel aanbieden aan grote spelers.

Het zou nuttiger zijn om geld te steken in de plek waar het allemaal gebeurt – het midden- en kleinbedrijf. Dit blijkt uit voorbeelden als Instagram, Twitter en Facebook in de Verenigde Staten, maar ook TomTom en Booking.com in Nederland.

Om het midden- en kleinbedrijf slagvaardig te maken in sectoren waar meer kapitaal nodig is, moet de overheid ondersteuning bieden. In elk geval een deel van het geld dat naar het topsectorenbeleid gaat, moet gebruikt worden om innovatieve start-ups bij te staan.

Dit kan in de vorm van microkredieten en regelvrije zones, waarbij beginners in de omgeving van bijvoorbeeld een universiteit zich tijdens hun eerste ontwikkelingsfase niet aan bepaalde arbeidsregels hoeven te houden, maar het kan ook met adviezen. Nederlandse vernieuwers vinden het lastig om goede ideeën om te zetten in commercieel succes. Voor hen moet de overheid een vraagbaak zijn.

Nederland kan veel meer uit zijn innovatiebeleid halen. Als we onze grote woorden over innovatie in grote daden willen omzetten, zullen we grote stappen moeten nemen.

Het verder omhoog schroeven van de investeringen in fundamenteel onderzoek was een eerste goede stap van het kabinet, die opgevolgd zou moeten worden door het afschaffen van topsectoren. Op die manier zijn we beter voorbereid op de maatschappelijke uitdagingen van de toekomst.

Jan-Willem de Bruin en Manuel Buitenhuis zijn bestuursleden van de Jonge Democraten.

    • Jan-Willem de Bruin
    • Manuel Buitenhuis