Letterknechten, vormt de natie!

Koning Willem I zag de literatuur als bindende factor tussen het Noorden en het Zuiden van zijn koninkrijk.

Nadat in 1814 de geallieerde Napoleonbestrijders (Engeland, Oostenrijk, Rusland, Pruisen) de kleine keizer op de boot naar Elba hadden gezet, leefde er onder hen een sterk nie wieder-gevoel. De macht van Frankrijk moest blijvend worden ingedamd. Ook aan de noordzijde moest de Gallische haan in zijn hok worden gehouden, door een krachtig Nederland. Men besloot daarom Holland en België te verenigen tot het Koninkrijk der Nederlanden en zette de erfprins van Oranje als Willem I op de troon. Noord- en Zuid-Nederland vormden één natie, zij het voorlopig nog op papier. De katholieken waren in de meerderheid, de vorst was protestants. De officiële voertaal in het Zuiden was Frans, het bestuur Nederlandstalig.

Willem I was een autocratische koning. Hij had in Engelse en Duitse ballingschap lang op de honorering van zijn erfelijke rechten moeten wachten, nu ging hij energiek aan het werk om van beide gebieden een verenigde staat te maken. Een land met één taal (het Hollands) en één cultuur. Het is moeilijk voor te stellen in onze tijd waarin kunst en letteren door het landsbestuur om zeep worden geholpen, maar Willem I huldigde de literatuur als bindende factor. Over de manier waarop hij Noord- en Zuid-Nederlandse letterknechten tot een gemeenschap probeerde om te smeden verscheen nu de studie Stiefbroeders. Zuid-Nederlandse Letteren en natievorming onder Willem I. 1814-1834 van Janneke Weijermars.

We moeten niet het idee krijgen dat de taal- en letterenpolitiek van koning Willem voortkwam uit een persoonlijke, literaire fijnzinnigheid of een brede culturele belangstelling. Die heeft nooit sterk geleefd onder de Oranjes. Zo werd onlangs bekend dat Juliana haar speciale, koninklijke editie van Multatuli’s Volledige Werken aan de uitgever retourneerde – kennelijk had ook dochter of kleinzoon geen belangstelling. Willem I had echter gezien hoe in 1815 de literatuur de Oranjerol bij de Slag van Waterloo tot mythe had gebombardeerd – hij meende er eenstemmigheid in te zien, die hij nu duurzaam probeerde te maken.

Weijermars geeft in haar Stiefbroeders een haarfijn beeld van de literaire wereld van het latere België. Ze volgt de commerciële kanten van het Vlaamse boekenbedrijf (waarin het illegale nadrukken van Noord-Nederlandse titels een enorm probleem vormde), de opkomst van Nederlandstalige dichters – met de literator en emancipator Jan Frans Willems als centrale figuur – , de grote rol van dichtgenootschappen, en de manier waarop Willem I die poogde in te zetten als natievormende factor, zoals hij ook door de hervorming van priesteropleidingen het katholicisme meende te kunnen matigen.

Het probleem begint al bij de inspiratie van die politiek: de Waterloo-literatuur. Het was Willem I kennelijk niet opgevallen dat de Zuid-Nederlandse uitingen hiervan veel minder gericht waren op Oranje-ophemeling dan op de medemenselijkheid waarmee Brussel en omstreken de vele gewonden bij deze volkerenslag had opgevangen. En daarbij werd in plaats van kroonprins Willem de Antwerpse generaal Van Merlen als Überheld bewierookt.

Ook bleef de kwaliteit der Zuid-Nederlandse dichters sterk achter bij die van het Noorden. Het zou jaren kosten voordat een aantal dichters zich had bevrijd van de Franse invloedssfeer, die overigens altijd zou blijven, aangezien de Franse literatuur nu eenmaal helderder sterren voortbracht dan Hollandse dichters als inmiddels vergeten grootheden als J.F. Helmers of Adriaan Loosjes.

Er kleeft iets tragisch aan Willem I. We zien een man die vrijwel voortdurend in zijn koningskamer brieven zit te lezen en beantwoorden, van gewone onderdanen tot (vooral) het enorme inlichtingennetwerk dat hij onderhoudt met zijn ministers, met als krachtfiguur de in Brussel woonachtige Justitieminister C.F. Van Maanen. Hij strooit met erebaantjes, onderscheidingen en beloningen, maar Zuid-Nederland beweegt zich richting zelfstandigheid. Katholieken en liberalen verenigen zich in hun verzet tegen het Hollands bestuur, en plattelandsarmoede zorgt voor extra brandstof.

Als na de Parijse Julirevolutie van 1830 een groot aantal werkeloze omwentelaars hun heil in Brussel zoekt is de vonk daar, en breekt in augustus de opstand tegen het Noorden uit. Eind dat jaar is België onder Leopold I de facto zelfstandig.

Die tragiek maakt ook Weijermars’ Stiefbroeders tot extra spannende lectuur. De historische boekenwereld mag dan niet altijd even veel dramatische spanning opleveren, hier stond iets op het spel. Weijermars geeft een kalm, tamelijk zakelijk beschreven beeld van die wereld in de jaren tien, twintig en dertig van de 19de eeuw, maar maakt ook duidelijk dat onder deze koning van gebroederlijk dichten weinig baat kwam: een zelfstandig België was onafwendbaar.