Ik vlieg, maar nergens heen

De dichter F. Starik Foto Johannes Abeling

De afgelopen jaren ben ik regelmatig iets tegengekomen van F. Starik (1958) dat mij trof. Een sterke regel, een sterke toon, een sterk gedicht. Dat waren soms gedichten die hij schreef voor eenzame doden (in zijn project De eenzame uitvaart), of als stadsdichter van Amsterdam. Of het waren gedichten uit zijn lijvige bundels Songloed (2007) en Victoria (2009). Altijd toegankelijke gedichten, voor een breed publiek.

Ik sla zijn nieuwe bundel, Door, open en lees het begin van het gedicht ‘Zwaluw’: ‘Doodgaan is alsof je een televisietoestel uitzet, / plotseling is alles weg.’ Die regel bevalt mij wel. Ik zal niet meteen zeggen: zo had ik het nog nooit gezien. En ik geloof dat je in plaats van een televisie ook wel een ander apparaat had kunnen noemen (beamer, computer, smart phone). En er is, behalve een overeenkomst, ook wel een belangrijk verschil tussen doodgaan en een apparaat uitzetten: een mens zet je daarna meestal niet meer aan en een apparaat wel.

Maar toch: een goede openingsregel, die ervoor zorgt dat je het gedicht gaat lezen. Dat geldt ook voor de korte waarneming die erop volgt: ‘Wie een nieuwe jas koopt / draagt de oude jas ook niet meer.’ En voor de lange stamelzin die daar weer op volgt, op prozatoon: ‘Vergelijk dit met / het feit dat reeds bij leven niemand alle kranten leest / waarin jij wordt genoemd, onthoudt op welke pagina / jouw foto in dat tijdschrift stond, luistert naar wat jij / op de radio hebt gezegd, ziet wat daar in de gids / van de zoveelste week over werd opgemerkt.’

Televisie

Die stamelzin geeft mooi uitdrukking aan de overrompeling van de plotselinge dood: het besef dat niemand het leven van een ander volledig kan kennen, het besef dat alles bij de dood in één keer wegvalt – als een televisie die wordt uitgezet. ‘Leven is gezien zijn,’ dat sluit ook mooi aan bij het beeld van de televisie. ‘Je hebt je licht geschenen’ – nog zo’n televisiebeeld. ‘Voordat je het weet is je vlam gedoofd’ – nog zo een.

Die vlam wijst ook naar iets anders, dat door de zwaluw van de titel al was voorbereid: de lucifer. Wij zijn strijkhoutjes die maar één keer kort kunnen vlammen – en dan is het alweer voorbij. We zijn hier niet ver verwijderd van de grote waarheden van een dichter als J.C. Bloem, in iets gedragener bewoordingen: ‘Niet te verzoenen is het leven. / Ten einde is dit wellicht nog ’t meest: / Te kunnen zeggen: het is even / tussen twee stilten luid geweest.’

Hiermee is al wel een aardig portret gegeven van de dichter F. Starik. De beelden zijn alledaags en hedendaags (lucifer, televisie). De vorm is vrij en wisselt, binnen één gedicht, tussen proza en aforisme. En hij bestrijkt een breed spectrum: van Toon Hermans (‘Je hebt je licht geschenen’) tot J.C. Bloem, van filosofisch (‘leven is gezien zijn’; esse est percipi) tot volks: ‘voor je het weet is je rode kop geblakerd’. Starik vindt overal aanleidingen voor een gedicht. Vaak in sterfgevallen, maar ook in de liefde, in voorvallen op straat, in de actualiteit, in de achteruitgang van zijn lieve moeder, en in herinneringen – waarvan ik er één maar niet kan vergeten sinds ik hem las: de kleine Frank op zijn slee, in het besneeuwde bos, door zijn vader met een touw vastgebonden aan de trekhaak van zijn Ford. En toen gaf vader voorzichtig gas. ‘In kramp van angst verschrikt / schoot ik hotsend tussen bomen door’ – en intussen snoof hij de uitlaatgassen op, ‘de geur van vooruitgang.’

Al die gedichten kun je gewoon achter elkaar lezen, zoals je een dagboek leest. De toon is die van de dagelijkse column. Denk aan Bril, Campert, Carmiggelt, Dijkshoorn. Droog, met wat sentiment en wat verwondering, en met humor. Als Starik niet al stadsdichter van Amsterdam was geweest, zou je hem onmiddellijk voordragen.

Uitschieter

Maar het is allemaal ook wel wat gemiddeld, het gemiddelde van vaardig gelegenheidswerk. Er is weinig dichterlijke vormgeving, weinig scherpte, weinig uitschieter. Het is een beetje willekeurig, een beetje slordig, een beetje melig ook hier en daar. En ook wel wat ouwelijk en weemoedig, met een wijsheidje hier en een kwinkslagje daar. Het is heel gewone poëzie.

En dat is precies wat Starik wil zijn: gewoon. In het gesprek met zijn kapper, als hij vraagt hoe hij deze keer geknipt wil worden: ‘Hetzelfde weer? Beetje kort hier en iets / langer daar? Doe dat maar. Gewoon.’

In een ander gedicht vergelijkt hij zich met de dwaze bijen van Martinus Nijhoff. Die gingen, als Icarus, op zoek naar hoger honing en moesten dat met de dood bekopen. Zo moeilijk maakt Starik het zichzelf niet. ‘Ik vlieg, maar nergens heen. / Ik prijs mijn huis en zing. // Ik ben gewoon.’

    • Guus Middag