Een loongolfje om de pijn te verzachten?

Sympathiek klinkt het zeker, wat Lodewijk Asscher vanmorgen zou hebben gezegd in het Financieele Dagblad. „Het is niet aan mij om looneisen te formuleren”, zou de minister van Sociale Zaken gezegd hebben, „maar het zou wel helpen als Nederlanders wat meer koopkracht krijgen. Dat kan onder meer via de loonontwikkeling.”

Oeh, een uitspraak van de minister, óók nog vicepremier namens de PvdA, die duidelijk gaat over een wenselijke loonstijging. Veel gedoe daarna over wat hij nu precies wel of niet had gezegd, want dit ligt uiterst gevoelig. Maar los van de terugtrekkende beweging op Sociale Zaken: snijdt het hout? Te midden van alle bezuinigingswoede is het begrijpelijk dat er naar wegen wordt gezocht om het allemaal wat draaglijker te maken.

Hogere lonen zijn in principe een middel. Was het bovendien niet zo dat er in de eurozone een convergentie nodig is van het peil van lonen en prijzen? De zuidelijke landen lijden aan een gebrek aan concurrentiekracht. Nu kun je daar de lonen effectief verlagen, maar dat doet veel pijn en is politiek en psychologisch lastig. Beter een loongolfje toestaan in de noordelijke landen.

Daar zijn twee problemen mee. Het eerste is dat de eurozone als geheel minder concurrerend wordt ten opzichte van het buitenland. Dat valt op te lossen via een lagere koers van de euro. Maar de tendens gaat vooralsnog de andere kant op: de euro lijkt alleen maar aan kracht te winnen.

Het tweede probleem is veel groter, en het valt op dat het maar niet wordt erkend. Er is namelijk sinds de invoering helemaal geen sprake geweest van een divergentie in lonen tussen de noordelijke en de zuidelijke landen. Er is een divergentie geweest tussen Duitsland en de rest.

En wij horen bij die rest. Kijk naar de arbeidskosten per eenheid product: de samentrekking van arbeidsproductiviteit en lonen. De OESO houdt daar betrouwbare statistieken van bij. In Italië stegen de loonkosten per eenheid product sinds de invoering van de euro in 1999 met 39,7 procent, in Spanje met 29 procent, in Portugal met 27 procent en in Griekenland met 28,7 procent. Daar zijn ze de afgelopen twee jaar al fors gedaald, trouwens. Frankrijk komt op 27,9 procent, België op 31,1 procent. Finland zag een stijging van 30,7 procent. Nederland wijkt niet af in deze groep, met een stijging van 27,2 procent. Dat is nu vrijwel evenveel als de Grieken, mind you. Tot zover valt de divergentie dus (weer) reuze mee. Alleen Oostenrijk heeft het wat rustiger aangedaan met 19,9 procent. Maar dan Duitsland: slechts 8 procent. Het grote verschil in concurrentiekracht is dus, nogmaals, tussen Duitsland en de rest. Als er al lonen moeten worden verhoogd, en als dat al een goed idee zou zijn, dan is het bij de oosterburen.

Nu kun je misschien wél de lonen verhogen in de sectoren die geen concurrentie hebben van het buitenland: de zorg, en vooral de ambtenarij. Maar dat laatste is nu juist waar de overheid zelf, als werkgever, zijn bezuinigingsdoel haalt met een nullijn voor de ambtenarensalarissen. Een loongolfje voor ambtenaren zou de pijn niet verlichten, maar verschuiven naar bezuinigingen elders. Los van de woordenstrijd over Asscher: je mag best zeggen dat hij op zijn minst niet goed heeft nagedacht.

De redacteuren Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze wisselcolumn over economische ontwikkelingen.