Een keizer in zelfhypnose

Schreef keizer Marcus Aurelius zijn Meditaties als hartekreten? Zijn brieven zijn een stuk intiemer.

De regeringstijd van keizer Marcus Aurelius (121-180) is de geschiedenis ingegaan als de periode waarin Plato’s ideaal eindelijk werkelijkheid werd: een filosoof zat op de troon van een wereldrijk; mooier kon het niet worden.

De faam van Marcus Aurelius is dan ook vrijwel onverdeeld positief; antieke historici roemen hem als een integer, plichtsgetrouw en zachtmoedig heerser. Lichamelijk niet sterk, wist hij door training toch zijn zware administratieve en militaire plichten te vervullen. Ondanks problemen met koppige christenen, een grote pestepidemie en invallende barbaren, was hij succesvol in het bewaken van de grenzen van het rijk, zoals de triomfzuil en (de kopie van) het schitterende bronzen ruiterstandbeeld in Rome nog altijd memoreren. De enige kritiek is dat hij zijn zoon Commodus aan de macht hielp, die uit de geschiedschrijving naar voren komt als een bloeddorstige psychopaat, die een periode van verval voor het Romeinse rijk inluidde.

Overigens kan de filosoof-keizer ook in onze tijd niet klagen over gebrek aan aandacht. In 2009 wijdde de Britse historicus Frank Mc Lynn een fors boek aan zijn leven en nu heeft de Nijmeegse historicus Anton van Hooff zich aan een biografische schets gewaagd. Wat zeker bijdraagt aan de fascinatie van Marcus Aurelius zijn de geschriften van eigen hand die ons de illusie van een kijkje in zijn ziel geven.

Het opmerkelijkste is uiteraard dat Marcus vanaf zijn vroegste jeugd zo doordrenkt was van de Stoïsche filosofie, en daar consequent naar leefde. Wat dat voor hemzelf betekende, kunnen we lezen in de beroemde verzameling aforismen en bespiegelingen die hij, kennelijk op zijn oude dag, tijdens een van zijn veldtochten, optekende: Ta eis heauton (dingen gezegd tegen zichzelf), beter bekend als ‘Overpeinzingen’ of ‘Meditaties’. Maar hoe moeten we dit unieke geschrift lezen: als een reeks hartenkreten, of als geslaagde propaganda?

In dit werk is het een en al onthechting wat de klok slaat. Besef, keizer, hoe nietig ook jij bent in het grote kosmische plan; zie je eigen imperfectie en die van je medemens onder ogen zonder woede, voeg je naar de al bestierende Logos (het rationele godsprincipe), laat je door begeerten en emoties nooit meeslepen, maar zie in dat alles ijdelheid is.

Twaalf boeken achter elkaar hiervan vormen niet direct opwekkende lectuur. Sterker nog, dit steeds op hetzelfde aambeeld hameren, wekt uiteindelijk bijna de indruk dat de keizer in een soort zelfhypnose probeert zichzelf door de talrijke crises van zijn bewind en het menselijk tranendal in het algemeen heen te loodsen.

Geen wonder misschien, als je weet dat Marcus meer dan tien kinderen verloor, dat zijn – volgens de roddels – overspelige vrouw Faustina waarschijnlijk betrokken was bij een mislukte staatsgreep, en dat hij aan het front in onherbergzame Balkanstreken voortdurend leed aan allerhande gezondheidsklachten. Overigens wordt hierover met geen woord gerept.

Veel intiemer zijn de brieven die Marcus als kroonprins wisselde met zijn leraar in de retorica, Fronto. Deze briefwisseling, in 1815 in een palimpsest gevonden onder een christelijke tekst, verbijsterde de 19de-eeuwse wetenschap. Men had gehoopt op meer vrome overpeinzingen en heldhaftig gedragen ontberingen, of op zijn minst staaltjes van de befaamde eloquentie van Fronto. Maar de correspondentie bevatte niet alleen oeverloos gezeur over lichamelijke kwaaltjes, ook de geëxalteerde taal der liefde waarmee de heren elkaar aanschreven zorgde voor ongemakkelijkheid: ‘Vaarwel, allerzoetste meester, allereerzaamste en alleruniekste man, mijn zoetheid, liefde en lust,’ schrijft Marcus; ‘wat is me zoeter dan jouw mond?’ roept Fronto uit.

Hoe dit te duiden? En hoe en waarom is het overgeleverd? Is er inderdaad sprake van een homoseksuele verhouding, zoals een studie van Amy Richlin (2006) betoogt? Spelen Marcus en zijn meester soms Socrates en de mooie Phaedrus na, in een Platoons – en Platonisch – toneelstukje? Of is dit simpelweg hoe Romeinen uit de tweede eeuw elkaar schreven, ziektebulletins afgewisseld met gepassioneerde liefdesbetuigingen die pure conventie waren? Van Hooff onderschrijft, zonder veel argumenten, deze laatste stelling. Maar net als bij Ta eis heauton blijven er raadsels, aangezien beide documenten zo uniek zijn.

Het probleem hierboven geschilderd is ook op sommige momenten het probleem van het boek van Van Hooff. Hoewel hij een bewonderenswaardig aantal, soms verrassende, contemporaine bronnen betrekt bij het schetsen van de handel en wandel van Marcus Aurelius, valt hij te vaak voor de verleiding ‘voorzichtig knipoogjes naar ons heden te maken’ zoals een recensie op een ander boek van zijn hand het noemt.

En voorzichtig is een eufemisme. ‘Marcus Aurelius zou vandaag de dag voor het internationaal strafhof in Den Haag moeten verschijnen op grond van oorlogsmisdaden’ (welke Romeinse keizer niet?). Tegelijkertijd worden de stoïcijnse leefwijze en ernstige taakopvatting afgedaan als een typisch kwaaltje van een eeuwige kroonprins. (Marcus stond tot zijn 40ste in de schaduw van zijn adoptief vader, keizer Antoninus Pius). Doodleuk vergelijkt Van Hooff dit met de expertise in waterhuishouding van onze eigen kroonprins: een imagotrucje. Tivoli, het buiten van Keizer Hadrianus, is een ‘antiek Las Vegas.’

Dit soort quasi-actuele leutigheid is niet alleen een garantie voor het snel verouderen van het boek, maar een vertroebeling van het beeld door scheefgaande vergelijkingen. Toch heeft Van Hooffs boek zeker goede kanten; de thematische opzet aan de hand van capita uit Marcus’ geschriften is mooi gevonden, de keuze van teksten getuigt van eruditie en is vaak in staat de wonderlijke tijd van Marcus Aurelius begrijpelijker te maken. Uiteindelijk is het een niet geheel geslaagde beschrijving van een fascinerende keizer, een boek dat meer vragen oproept dan het beantwoordt.

    • Jacqueline Klooster