De paden op, de wouden in

Zowel in Frankrijk als in de VS werd een wildernisverhaal zo’n succes dat een Nederlandse vertaling volgde. Piekervaringen op papier: pure ontsnappingslectuur voor de gestreste stedeling.

Les chemins de la liberté 2ème partie. Sylvain Tesson sur les berges du lac Namtso, le 2ème plus grand lac du Tibet. Figaro Photo / Hollandse Hoogte THOMAS GOISQUE/SYLVAIN TESSON/>

Watjes zijn we, u en ik. Een ieder die de afgelopen dagen een Noordpoolgevoel kreeg bij een glibberpartij op een oprit of bij een voettochtje naar Albert Heijn, kan zich gevoegelijk gaan schamen. Zijn of haar inspanningen vallen in het niet bij de ontberingen die sommigen doorstaan – uit eigen vrije wil. De Fransman Sylvain Tesson, die zes maanden bij -35° doorbracht in een blokhut aan de oevers van het Bajkalmeer, middenin Siberië, omdat hij vóór zijn veertigste kluizenaar geweest wilde zijn. Of de Amerikaanse Cheryl Strayed, die rouw en heroïne te boven kwam door totaal onvoorbereid 1700 kilometer door Amerika te lopen, gebukt onder een loodzware rugzak.

Van het boekje van reisschrijver Tesson werden in Frankrijk twee jaar geleden in twee maanden tijd 100.000 exemplaren verkocht, hij kreeg er een belangrijke essayprijs voor. Pas onlangs verscheen het in vertaling. Cheryl Strayeds Wild, lost and found on the Pacific Crest Trail stond vorig jaar in de VS maanden hoog in de bestsellerlijst van The New York Times, zeker nadat Oprah Winfrey speciaal voor dit boek haar boekenclub nieuw leven had ingeblazen en actrice Reese Witherspoon de filmrechten kocht. Lang niet alle mensen die deze boeken kochten zijn wandelaars of Ruslandgangers. Integendeel, juist veilig binnen, genesteld in onze stoel en onze gecapitonneerde wereld is het immers goed lezen over het geweld der elementen.

De nu 44-jarige Strayed (de achternaam is geen toeval, die koos ze zelf) was als jongvolwassene een vrouw met romanambities die na een turbulente jeugd, de te vroege dood van haar moeder en een gestrand huwelijk bij de kassa van een supermarkt een boek zag over de PCT, de Pacific Crest Trail. Dit pad loopt parallel aan de westkust van de VS, hoog over de Sierra Nevada en de Cascade Range, van Mexico tot Canada. Strayed was weliswaar opgegroeid in een zelfgebouwde hut op een ruig stuk land in Minnesota, maar van lange-afstandslopen wist ze niks. Ze had allerlei spullen gekocht, maar zich verder niet voorbereid. Ze liep op te kleine schoenen, waardoor haar voeten onder de blaren en wonden zaten en ze teennagels kwijtraakte. Ze had geen conditie, haar veel te zware rugzak kreeg ze aanvankelijk niet van de grond. Ze liep in een jaar met extreem veel sneeuwval (1995), stond oog in oog met een eland, beren en ratelslangen en ontsnapte maar net aan een enge, grijpgrage kerel. Maar aan opgeven dacht ze nooit serieus, blijkt uit haar boek, daarvoor waren de verrukkingen te groot: groene wouden, onmetelijke vergezichten en zonsopgangen die je voor jezelf hebt. Zelfs wat sneeuw op een snelweg maakt al duidelijk dat een ontmoeting met de elementen voor piekervaringen zorgt die aangenaam zijn – vooral op papier: paniek en euforie, of juist verveling van een intensiteit die we normaal niet kennen. Het wildernismotief is kortom wáár – en daarom even platgetreden als onverwoestbaar. Van Seneca via Goethe, Thoreau en Jon Krakauer – al eeuwenlang biedt het wildernisboek ontsnapping aan alles wat de beschaafde mens soms de keel uit hangt: Ballast. Overvloed. Comfort.

De stijl en de accenten wisselen per schrijver en per tijdperk, maar de thema’s zijn universeel. Er is ontbering en er zijn sublieme ervaringen die het afzien compenseren. Er zijn veel spullen, maar daarvan blijken er bij nader inzien maar weinig nodig. Er zijn veel muizenissen, maar allengs steeds minder. En ja, er wordt behalve fysiek ook innerlijk gereisd, opdat schrijver én lezer gelouterd aan de eindstreep komen.

Dit alles geldt zeker voor Wild, dat wel getypeerd is als het nieuwe Eat, Pray, Love. In die bestseller (187 weken op The New York Times- bestsellerlijst) uit 2006 beschreef journaliste Elizabeth Gilbert hoe zij een persoonlijke crisis te boven kwam door zich aan voedsel, meditatie en een nieuwe man over te geven in achtereenvolgens Italië, India en Indonesië (Bali). Niet toevallig zijn dat alle drie landen die met de i van ik beginnen, zoals een personage in het boek opmerkt. Ook Wild is zo’n emo-autobiografie, maar dan uit de huidige recessie, met in de hoofdrol een straatarm lid van de white trash. Geen vliegtickets, maar lopen met een rugzak. Geen neurotische New Yorkse, maar een vrouw uit het rauwe Amerika van gebroken gezinnen op het platteland. In een gruwelijke scène beschrijft Strayed hoe ze met haar broer het door haar stiefvader verwaarloosde paard van haar moeder afmaakte, omdat er voor de veearts geen geld was.

Een bonus is dat de schrijfster de loodzware symboliek van de rugzak zelf gelukkig maar één keer aanstipt. Wild is dan ook minder recht uit het hart geschreven dan je bij zo’n tranentrekker zou denken. Strayed schreef het zeventien jaar na de echte tocht, zodat ze ook het happy end (nieuwe echtgenoot, twee kinderen) kon meenemen. Toch oogt haar combinatie van reisverslag, moeder-dochter drama en emotionele coming of age als een commercieel aantrekkelijk toeval, niet als berekening. Maar achteraf gezien lijkt het succes van Wild logisch. Drievoudige persoonlijke groei, een pioniersverhaal van self-help door een self-made woman – geen Amerikaanse die daar niet gevoelig voor is.

Hoe tegenovergesteld – Europees, Frans, zelfbewust, rationeel, literair – is dan het boek van Sylvain Tesson over Siberië, al bevat het dezelfde, voor het genre onmisbare elementen. Strayed schrijft alleen over zichzelf, Tesson heeft van alles te beweren en weet precies op welk kruispunt in het literaire, historische en politieke landschap zijn experiment zich bevindt. Wie zich tegen de consumptiemaatschappij verzet, erkent haar nog, vindt hij. Het echte verzet is vlucht. ‘Retraite is rebellie. Wie in een blokhut gaat wonen, verdwijnt van de controlepanelen. Het is een soort hacking, maar dan omgekeerd. Hij stapt eruit.’

Toch is de blokhut meer particuliere dan maatschappelijke ontsnapping. Op zijn veertigste heeft de geograaf Tesson een hele stapel reisboeken op zijn naam waarvoor hij de onherbergzaamste streken te voet, per fiets en te paard doorkruiste. Aan die ‘Sint Vitusdans met de tijd’ wil hij een einde maken in de monotonie, de stilte en het isolement van het Siberische woud, waar tijd niet langer telt. ‘Lang gesprek met mijn raam. ’s Middags opgeruimd en klusjes gedaan. Ik ben vrij om alles te doen in een wereld waar niets te doen is.’

Zes maanden in de Siberische Wouden is een Russisch Walden, het boek genoemd naar de ‘kolonie’ waar de Amerikaan Thoreau zich in 1854 terugtrok om in een sober leven vervulling te zoeken en de beschaving tijdelijk de rug toe te keren. Tessons buren wonen weliswaar verder weg dan die van Thoreau (15 kilometer in plaats van een paar mijl), maar zelfs in Siberië komen de buren steeds dichterbij; ‘Vijftienhonderd kilometer verder naar het zuiden gonst China. Anderhalf miljard mensen die weldra een tekort zullen hebben aan water, bos en ruimte.’ De aarde is op, ongereptheid bestaat alleen nog waar comfort ontbreekt. ‘Kou, stilte en eenzaamheid zullen in de toekomst meer waard zijn dan goud. Op een overbevolkte, oververhitte, lawaaiige aarde is een boshut een paradijs.’

Tesson beseft hoe bevoorrecht hij is. Hij is bepaald geen Cheryl Strayed, die soms weken moet doen met een paar dollar. Hij is een dandy in het woud, met zijn iPod, boeken, wodka en sigaren bij zich: ‘Kijkend naar de sneeuw luister ik naar Schubert, na het houthakken lees ik Marcus Aurelius, de visvangst voor het avondeten vier ik met een Havanna.’ Maar een watje is hij niet. Hij kampeert bij dertig graden onder nul, maakt dagenlange wandel- en kanotochten door de sneeuw. Anders dan Strayed negeert hij pijn of fysieke ongemakken, (katers uitgezonderd), en van zijn zieleroerselen doet hij alleen registrerend verslag: ‘In de schemering steken hersenschimmen en wroeging de kop op. Tegen zevenen, als het licht begint te tanen, zetten ze de aanval in. Ik heb wodka nodig om ze af te slaan. Even de voorraad tellen: ik heb nog tweeëntwintig flessen Kedrovaja en drie liter peperwodka.’

De grootste charme van Zes maanden zit hem evenwel in de schijnbare logboekstijl die de lezer in dezelfde cadans brengt als de kluizenaar. Uren staart hij uit zijn raam, dagelijks kamt hij de omgeving uit tot hij iedere tak en helling kent. Minutieus doet hij verslag van de veranderingen in de natuur. Het verveelt de lezer net zo min als de schrijver. ‘Het bos ziet er vanmorgen uit als een ondergelopen stelling, waaruit alleen nog de bajonetten omhoog steken.’ ‘Het meer: een albasten kerkraam met blauwgrijze loodnaden. […] De kleur van het water tussen de schotsen wisselt van uur tot uur.’ Geestig is hij ook: ‘Er gaat niets boven eenzaamheid. Het enige wat nog aan mijn geluk ontbreekt, is iemand aan wie ik kan uitleggen hoe gelukkig ik ben.’

Tegen het eind van zijn verblijf echoot de sophisticated Fransman de emotionele Amerikaanse, die schrijft: ‘Ik kwam niemand tegen, maar vreemd genoeg miste ik niemand. Alles wat ik begeerde was voedsel, water en een plek waar ik mijn rugzak af kon doen.’ Tesson: ‘Begrenzing is een bron van vreugde. De kluizenaar brengt zijn ambities terug tot haalbare proporties.’ Balsem op de ziel van het 21ste-eeuwse, overprikkelde leespubliek. Maar wat Tesson vergeet te vermelden is natuurlijk de belangrijkste begrenzing: die in tijd. De schrijvers voor een half jaar, de lezer voor de duur van het boek; allen keren na tijdelijke ontsnapping weer terug in het hectische leven.

Het Amerikaanse emotionele Pieterpad of het Franse Walden-met-wodka – wildernisboeken kunnen nog zo verschillen, ze vertellen een verlossingsverhaal dat zijn kracht behoudt zolang de beschaving blijft accelereren. O, de luxe van een paar maanden eenzaamheid, ruimte, stilte, overzichtelijkheid en zware fysieke inspanning! Het is een recept voor geluk waar de gestresste westerse stedeling met zijn miserabele pakketje vakantiedagen naar snakt.

    • Maartje Somers