De markt van 7.000 zeldzame ziekten

Niet de kostprijs van medicijnen telt, maar de waarde die deze hebben, vindt Henri Termeer. In de markt voor zeldzame ziekten zag en pakte hij kansen.

Hans Schikan (links) en Henri Termeer.

Een medicijn maken dat alleen werkt voor een handjevol patiënten? Henri Termeer, tot vorig jaar topman van het Amerikaanse biotechnologiebedrijf Genzyme, is vaak voor gek verklaard. „Vaak is tegen mij gezegd: waarom zou je het überhaupt proberen? Er zijn zo veel mislukkingen.”

Maar Termeer haalde vorig jaar zijn gelijk, toen hij zijn bedrijf voor ruim 20 miljard dollar verkocht aan de Franse farmareus Sanofi. Het was een van de grootste overnamesommen die ooit voor een bedrijf werd betaald. Het beursgenoteerde Genzyme was onder leiding van Termeer in 26 jaar uitgegroeid tot het op twee na grootste biotechnologiebedrijf ter wereld (na Genentech en Amgen).

De verkoop van zijn bedrijf zou een mooi moment zijn geweest voor Termeer (nu 66 jaar) om met pensioen te gaan, maar hij is drukker dan ooit. De geboren Nederlander, inmiddels helemaal veramerikaanst, geldt als een goeroe voor biotechnologiebedrijven. Enkele Amerikaanse biotechnologiebedrijven huurden hem al in als commissaris en het Leidse Prosensa wist hem onlangs te strikken als ‘strategisch adviseur’. Directeur Hans Schikan van het bedrijf met 80 werknemers dat werkt aan een geneesmiddel voor de ziekte van Duchenne is „heel trots” dat hij zo’n grote naam heeft weten binnen te halen. „Wij willen graag een mini-Genzyme worden”, zegt Schikan.

Prosensa werkt aan een experimenteel medicijn dat bij Duchennepatiënten de fout in het DNA die de oorzaak is van hun ziekte, gedeeltelijk opheft. Volgend jaar verwacht het bedrijf de resultaten van de laatste klinische studies, die deels gefinancierd worden door het Britse farmaconcern GlaxoSmithKline (GSK). Daarnaast heeft Prosensa nog zeven geneesmiddelen in ontwikkeling, waaronder vijf andere Duchennemiddelen, die bedoeld zijn voor subgroepen van patiënten met een andere genetische mutatie. Het achterste van zijn tong wil Schikan niet laten zien, maar met adviezen van ‘oude rot’ Termeer lijkt hij te willen garanderen dat het Leidse bedrijf een zelfstandige koers kan blijven varen, als het eerste Duchennemiddel samen met GSK een succes blijkt.

Termeer heeft de reputatie kansen eerder te zien dan anderen. Onder zijn leiding wist Genzyme als geen ander bedrijf ter wereld te profiteren van de Orphan Drug Act, een wet uit 1983. Deze bestond uit een pakket van maatregelen waaronder extra belastingvoordelen en langere patentbescherming, die de ontwikkeling van medicijnen voor ‘kleine’ ziekten (zogeheten ‘weesziekten’, met minder dan 200.000 patiënten in de VS of minder dan vijf patiënten op tienduizend inwoners in Europa) moest stimuleren.

Termeer handelde snel. Genzyme produceerde vanaf de oprichting in 1981 een enzym voor de behandeling van de ziekte van Gaucher, feitelijk al een weesgeneesmiddel. Dit enzym werd moeizaam gewonnen uit menselijke placenta’s. Maar om één patiënt een jaar lang te kunnen behandelen waren maar liefst 22.000 placenta’s nodig. Terwijl het bedrijf een grote fabriek in Frankrijk runde waar op industriële schaal placenta’s werden verwerkt, ontwikkelde het parallel een biotechnologisch alternatief, geproduceerd in gekweekte cellen. Dat medicijn kost jaarlijks meer dan een ton per patiënt. Een reële prijs, vindt Termeer, gezien de enorme kosten die gepaard gaan met het ontwikkelen van dit soort medicijnen. Bovendien: Genzyme kan het vragen, want concurrenten zijn er niet.

Termeer kwam daarom vaak onder vuur te liggen: het verwijt was dat hij over de ruggen van een paar patiënten woekerwinsten maakte. Eerder dit jaar nog uitte minister van Volksgezondheid Edith Schippers (VVD) felle kritiek op de extreem hoge prijzen van geneesmiddelen tegen de erfelijke ziektes van Pompe en Fabry, beide producten van Genzyme. Schippers dreigde de middelen niet langer te vergoeden.

Termeer blijft er ijskoud onder: „Het gaat niet alleen om de kostprijs van medicijnen, maar het gaat vooral om de waarde die deze middelen hebben. De discussie daarover wil ik niet uit de weg gaan. Het gaat erom dat we als samenleving moeten verantwoorden waaraan we het beschikbare geld besteden.”

De post geneesmiddelen bedraagt in Nederland ongeveer 9 procent van de totale uitgaven aan de zorg, zegt Termeer. „Die paar patiënten die een duur innovatief middel nodig hebben voor hun genezing, zullen het aandeel aan medicijnuitgaven nauwelijks beïnvloeden. Maar het maakt wel het verschil of je mensen hebt in een rolstoel of mensen die weer normaal aan het arbeidsproces kunnen deelnemen.”

Dat bedrijven als Genzyme (het bedrijf was twintig jaar lang beursgenoteerd) door speculanten en investeerders worden gezien als ‘goudmijntjes’ is volgens hem niet van invloed op de prijs van de geneesmiddelen. „Ja, de aandeelhouders moeten tevreden gesteld worden, maar die bemoeien zich niet met dit soort zaken. Ze investeren even makkelijk in ons als in de tabaksindustrie.”

De medische zorg is duur, maar niet omdat medicijnen zo duur zijn, vindt Termeer. „Er is, vooral in de VS, ontzettend veel zorg die mensen niet geneest. Het is niet veel meer dan handjes vasthouden. De gezondheidszorg is wat mij betreft een strategie geworden om mensen aan het werk te houden. En dat is ongelooflijk duur. Waarom kiezen we in plaats daarvan niet voor een medicijn dat werkt? Het betekent minder zorg, meer genezing. Maar voor zo’n omslag is politieke wil nodig.”

Prosensa-directeur Hans Schikan valt hem bij: „Wat is beter: tien mensen behandelen met een medicijn waarbij slechts drie van hen baat hebben bij het middel, of drie behandelen waarbij je vooraf zeker weet dat het bij hen allemaal zal werken? Het is overigens een bredere trend. Grote ziektebeelden zoals bijvoorbeeld borstkanker raken ook steeds meer gefragmenteerd. Alles wordt opgesplitst in kleinere ziekten. Met specifieke middelen kun je dan meer genezen.”

Het humane genoomproject – waarbij in 2000 de code van het menselijk DNA in kaart werd gebracht – heeft de kennis van de menselijke genetica in een stroomversnelling gebracht. „Er is veel meer mogelijk geworden om daadwerkelijk iets te doen aan zeldzame erfelijke ziekten”, aldus Termeer. „De diagnostiek is nu zo ontzettend verbeterd en dat moedigt ook het bedenken van nieuwe therapieën aan.”

De grootste verandering is echter de mondigheid van de patiënt, zegt hij. „Niets is krachtiger dan een patiënt die vecht om een behandeling te krijgen. Dat is een geweldige drijfveer voor innovatie en acceptatie van nieuwe medicijnen. En patiënten kunnen tegenwoordig al vooraf precies uitzoeken wat bij hen zal werken en wat niet.”

„Er zijn wel zevenduizend zeldzame ziekten bekend”, zegt Termeer, „maar daar zijn nog slechts driehonderd geneesmiddelen voor in ontwikkeling. Er ligt dus nog een hele markt open – fantastische mogelijkheden voor nieuwe bedrijven.”

De vraag is of de grote farmaconcerns daar ook een rol in gaan spelen. Sanofi kocht Genzyme toch niet voor niets? Maar Termeer betwijfelt het: „De meeste farmareuzen richten zich traditioneel op medicijnen op basis van kleine stoffen. Ze willen een brede afzetmarkt.

Maar van veel van hun goed verkopende middelen is het octrooi verlopen of verloopt dat binnenkort. En het lukt ze niet om nieuwe daarvoor in de plaats te vinden. Bovendien beconcurreren grote farmaceutische bedrijven elkaar ook nog eens op al deze terreinen: allemaal hebben ze hun eigen cholesterolverlager of statine.”

De echte vernieuwing komt van de biotechnologie, zegt Termeer. „Op het gebied van de heel specifieke medicijnen voor kleine groepen patiënten kunnen grote farmabedrijven echter veel slechter concurreren: ze kunnen de markt niet domineren. De markt van geneesmiddelen voor zeldzame ziekten is door het beperkte aantal patiënten heel gefragmenteerd en zal dat altijd blijven. Het vraagt smalle investeringen. Die zullen grote farmabedrijven niet vaak doen, want een grote markt blijft voor hen veel aantrekkelijker.”

    • Sander Voormolen