Opinie

    • Frits Abrahams

Afvalligen

Een jaar of vijftig geleden, ik was nog puber, gleed ik met geruisloze geleidelijkheid uit het katholieke geloof. Mijn ouders hielden me niet tegen, en als ze dat wel hadden gedaan zou ik hun zeker een spiegel voorgehouden hebben: „Zoveel doen jullie er toch ook niet meer aan?” Juist omdat iedere tegendruk ontbrak, heb ik nooit met rancune omgezien. Ieder z’n geloof – als ik maar niet meer hoefde mee te doen.

De vrouw die ik later ontmoette, viel ook van haar geloof; zij koos in plaats daarvan voor de PvdA, wat niet in alle opzichten een verbetering was. Een kerkelijk huwelijk was niet meer aan de orde. We leefden nog lang, en soms zelfs gelukkig, totdat ik de afgelopen weken vreemde verhalen hoorde over een Tilburgse pastoor, die aankondigde dat hij foto’s van afvallige parochianen in zijn kerk ging ophangen. Ik zag enkele enge glimpen van de man in een praatprogramma dat ik snel afzette – onzin was er al genoeg op de wereld.

Hoewel de pastoor inmiddels van zijn drieste voornemen heeft afgezien, is het rumoer rond de afvalligen nog niet opgehouden. Uitschrijving uit de katholieke kerk blijkt helemaal niet zo gemakkelijk. Het verschilt per parochie, soms volgt er geen reactie op een opzegging, soms komt er een vermaning dat je er nog maar eens goed over moet nadenken.

De reactie van de pastoor van Sint-Michielsgestel klonk zelfs ronduit dreigend: „U wijst Christus en zijn kerk af. Ik ben bang dat u zelf het eeuwig leven niet waardig keurt en de toegang tot het eeuwig leven en de verrijzenis hebt geblokkeerd. Daarmee raakt u in de eeuwige vergetelheid, waar niemand u ooit nog zal missen.”

„Mijn hemel”, zei ik tegen mijn vrouw.

„Zeg dat wel”, zei ze.

„Hebben wij ons eigenlijk ooit officieel uitgeschreven?”

„Nooit. Toen we pas in Groningen woonden, kreeg ik opeens een pastoor op bezoek. Hij wilde kennismaken. We babbelden wat, tot ik zei dat we niet meer katholiek waren. Hij reageerde boos en maakte dat hij wegkwam. We hadden ons moeten uitschrijven, vond hij. Ik wist dat niet, en bovendien: mij was als kind toch ook nooit gevraagd om lid te worden van de kerk?”

Ik las in de krant hoe we alsnog onze uitschrijving konden verkrijgen. We moesten een brief schrijven aan de pastoor van onze oude parochie. Hij zou dan langskomen voor een gesprek, zodat we hem ons doopbewijs konden laten zien. Daarna zou hij een schriftelijke bevestiging opstellen die we moesten ondertekenen. Mijn oude parochie? Was die niet allang in ‘de eeuwige vergetelheid’ verdwenen?

„Ik heb mijn doopbewijs nog”, zei mijn vrouw, bijna triomfantelijk. Ze liep naar de keuken en haalde een ingelijst document van de muur. Haar meisjesnaam prijkte er onloochenbaar boven; daaronder de mededeling dat ze op 14 april 1943 „alzoo een kind van God en een lid van de Heilige Kerk” was geworden. In kapitale letters viel verder nog te lezen: „Ontvang het witte kleed (van de onschuld uwer ziel) en breng het onbevlekt voor den rechterstoel van Onzen Heer Jezus Christus opdat gij het eeuwig leven moogt verwerven.”

„Dat is andere koek dan het partijprogramma van de PvdA”, zei ik, „maar waar is mijn doopbewijs gebleven?”

„Nooit gezien”, zei ze, „je moeder hield nogal van opruimen.”

Ze kuchte en zei, terwijl ze op bewonderenswaardige wijze haar leedvermaak onderdrukte: „Dat betekent dat jij altijd katholiek zult moeten blijven.”

    • Frits Abrahams