Zeg 'ns AAA: onze schuld is kerngezond

We blijven voorlopig triple A. Maandag waren de kredietbeoordelaars van Standard & Poor’s zo vriendelijk om hun oordeel over Nederlandse staatsschuld te handhaven op het hoogste niveau. Maar de vooruitzichten, zo stelde S&P, blijven negatief. Moeten we daar bang voor zijn?

Het kabinet-Rutte worstelt op dit moment met de vraag of Nederland dit jaar de Brusselse drieprocentsnorm voor de begroting wel haalt. Daar zijn twee uitwegen voor. Je kunt de verrassend hoge opbrengst van 3,8 miljard euro uit de jongste telecomveiling inzetten. Zulke baten horen eigenlijk rechtstreeks van de staatsschuld af te gaan, want het gaat hier in wezen om het contant maken van een toekomstige inkomstenstroom. Maar goed, het kabinet kan die 3,8 miljard ook even via de winst- en verliesrekening van de staat laten lopen. Daar gaan ze in het bedrijfsleven vaak ook pragmatisch mee om. En het scheelt toch weer optisch 0,6 procentpunt van het bbp.

De kans bestaat bovendien dat zo veel eurolanden door de tegenvallende economie hun begrotingsdoel niet halen dat een versoepeling opportuun wordt in Brussel. Maar met minister Dijsselbloem op de rol als voorzitter van de eurogroep kun je moeilijk het slechte voorbeeld geven – tenzij de Fransen juist dat bij hem willen afdwingen voordat ze hun fiat aan hem geven.

Maar los daarvan: je zorgen maken om de Nederlandse kredietwaardigheid lijkt steeds minder nodig. Niemand lijkt het echt te hebben opgemerkt, maar gisteren stond de spread, het renteverschil, tussen Duitse en Nederlandse staatsobligaties, op 0,12 procentpunt. Zo klein is dat verschil sinds begin 2008 niet geweest. En er is meer. In december publiceerde het IMF het onderzoek Tracking Global Demand for Advanced Economy Sovereign Debt. Wie heeft wiens staatsschuld in handen?

Hoewel het rapport zich concentreert op de grote economieën, staan er tussen de regels door voor Nederland opmerkelijke bevindingen in. Onze staatsschuld blijkt voor eenderde in handen van buitenlandse centrale banken, vermoedelijk inclusief de Europese Centrale Bank. Dat is het hoogste percentage van alle industrielanden van betekenis. Bovendien is dat aandeel ook het sterkst gegroeid. Buitenlandse banken hebben daar bovenop nog eens een procent of 15 in handen. Samen is dat tegen de 50 procent.

Wat kan daaruit de conclusie zijn? Kennelijk is Nederlandse staatsschuld erg in trek bij buitenlandse banken, en rust hij in toenemende mate op de balans van centrale banken. Het lijkt erop dat Nederlandse staatsleningen vooral populair zijn bij banken om ze te kopen en ze vervolgens te belenen bij een centrale bank in ruil voor cash. Op die manier spelen Nederlandse staatsleningen dus een forse rol als ‘betaalmiddel’ in het monetaire noodbeleid dat de laatste jaren met name in Europa is gevoerd.

Onze staatsschuld is dus voor een relatief fors deel in handen van spelers op de financiële markten die als laatste tot verkoop over zullen gaan. Veiliger en vastberadener bezitters dan deze zijn er nauwelijks. Dat wordt onderstreept door het feit dat volgens het IMF-rapport de risicoperceptie van beleggers voor Nederland eind 2011 de laagste was van de eurozone. Ja: nog onder Duitsland. Het kabinet-Rutte zou het wel heel erg bont moeten maken om uit de gratie te raken. Geeft dat sowieso niet enige lucht voor het begrotingsbeleid?

De redacteuren Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze wisselcolumn over economische ontwikkelingen.

    • Maarten Schinkel