Wij zijn schijnheilig over cocakauwen

Nederland is tegen het kauwen op cocabladeren in Bolivia. Deze houding is ronduit onverstandig, vinden Tom Blickman en Martin Jelsma.

De Nederlandse regering heeft deze week bij de Verenigde Naties bezwaar aangetekend tegen de herintreding van Bolivia in het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen, uit 1961. Dit Nederlandse bezwaar was vergeefs – niet voldoende landen maakten bezwaar om de herintreding te voorkomen – maar bovenal schijnheilig.

Bolivia was vorig jaar uitgetreden en wilde opnieuw toetreden, met een voorbehoud dat het traditionele gebruik van coca in het land een internationale legale basis geeft. In het Enkelvoudig Verdrag is het cocablad geplaatst op de lijst met verdovende middelen, net als cocaïne. Bepaald werd dat het kauwen van cocabladeren moest worden stopgezet. Deze bepaling was gebaseerd op een schaamteloos bevooroordeeld rapport over het cocablad uit 1950, dat uitsluitend tendentieus bewijs bevat voor het verbod. Naar de hedendaagse standaard van wetenschappelijk onderzoek zou het direct in de prullenbak verdwijnen.

Het gebruik van cocabladeren – een eeuwenoud gebruik – veroorzaakt geen schade voor de gezondheid, integendeel. Zo helpt het om de effecten van hoogteziekte te verminderen. Bolivia probeerde in 2009 via een amendement de ban op cocakauwen uit het verdrag te verwijderen. Op aandrang van de Verenigde Staten dienden achttien landen een bezwaar in. Hierdoor werd het voorstel verworpen. Nederland had toen geen bezwaar. Waarom nu dan wel?

De bepaling in het Enkelvoudig Verdrag tegen het traditionele gebruik van coca is in strijd met de VN-verklaring over de Rechten van Inheemse Volkeren van 2007, ook ondertekend door Nederland, dat belooft om inheemse culturele praktijken te handhaven en te beschermen.

Nederland benadrukt ten eerste dat verdragspartners een verplichting zijn aangegaan om de handel en het gebruik van verdovende middelen te beperken tot medische en wetenschappelijke doeleinden. Het Boliviaanse voorbehoud zou een verkeerd precedent kunnen scheppen en het internationale raamwerk kunnen ondermijnen. Hiermee worden letterlijk formuleringen overgenomen uit de veroordelingen van Bolivia door de VS en de International Narcotics Control Board (INCB).

De INCB houdt toezicht op de naleving van de VN-drugsverdragen en veroordeelt Nederland elk jaar in soortgelijke termen. Onze coffeeshops zijn evenmin een schoolvoorbeeld van het „exclusief beperken tot medische en wetenschappelijke doeleinden”. Bovendien heeft Nederland zelf een voorbehoud gemaakt aangaande het VN-verdrag tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, van 1988. Dat was nodig om het coffeeshopbeleid te handhaven. Waarom zou Bolivia – dat overigens zegt te zullen voldoen aan zijn internationale verplichtingen om de illegale cocaïnemarkt de kop in te drukken – niet hetzelfde mogen doen?

Ook schiet Nederland in zijn eigen voet. Na het echec van de wietpas zijn er steeds meer gemeenten die eindelijk de achterdeur van de coffeeshop willen reguleren, om de criminaliteit rond de illegale teelt tegen te gaan. Als de Tweede Kamer besluit om een wettelijke bevoorrading van wiet toe te staan, zijn er ook aanpassingen nodig in de Nederlandse verdragsverplichtingen. Een verandering van de verdragen met een amendement is gemakkelijk te blokkeren door enkele landen en is op korte termijn praktisch bijna onmogelijk. De procedure voor een nieuw voorbehoud is misschien nodig om onze eigen juridische problemen op te lossen. Dan zal de regering haar bezwaar betreuren.

Tom Blickman en Martin Jelsma zijn werkzaam voor de internationale denktank Transnational Institute.