Wat doen we met the N-word?

Quentin Tarantino heeft een patent op het gebruik van the N-word in zijn films.

Hollywood weet zich er geen raad mee, net zo min als met het begrip slavernij.

Filmrecensent

‘Say it! Say it!” Het filmpje is een YouTube-hitje: een blanke filmjournalist die zwarte acteur Samuel L. Jackson vraagt naar de „controverse over het N-woord” in Django Unchained. Het N-woord? Wat bedoel je? „No? None?” pest Jackson. Om de ongemakkelijke journalist te verplichten het N-woord uit te spreken.

Nigger. Alleen een zwarte mag dat gebruiken, als geuzennaam. Al bij zijn eerste film, Reservoir Dogs (1992), kreeg Quentin Tarantino kritiek over stijlbloempjes als „Don’t talk like a bunch of niggers”. Bij zijn derde film, Jackie Brown (1997), was zijn vrijmoedige gebruik van het N-woord aanleiding voor een vete met collega Spike Lee, zelfbenoemd woordvoerder van de zwarte gemeenschap. Tarantino hoopt dat zijn film over ex-slaaf Django die met zijn metgezel Schultz een bloedbad aanricht onder blanke slavendrijvers „een soort rite de passage” wordt voor jonge zwarte mannen.

Quentin Tarantino legde het N-woord in de mond van gangsters, zwarten of rednecks. „Racistisch buikspreken”, aldus Jelani Cobb in The New Yorker. Het lijkt eerder een adolescent die brave burgers wil schokken. Want gaat het om het N-woord of slavernij, dan wordt Hollywood bevangen door ongemak. Het heeft ook wat op zijn kerfstok. De klassieke Amerikaanse speelfilm is The Birth of a Nation van politiek onbenul D.W. Griffith (1915): een verheerlijking van lynchen en de Ku Klux Klan. De grootste Amerikaanse film aller tijden? Gone with the Wind (1939), een goudomrande evocatie van het oude Zuiden waar zwarten hun plaats kenden.

Het duurde tot de jaren 60 voordat slavernij voor Hollywood schaduwkanten kreeg. Tv-serie Roots, waar het nageslacht van Kunta Kinte zijn vrijheid hervindt, was een mijlpaal. Maar nog altijd behandelt Hollywood slavernij niet, of met grote omzichtigheid, zie Oprah Winfreys Beloved (1998) of Steven Spielbergs (Amistad, 1997). Met slaven als onderdrukte massa die geduldig op bevrijding wachten. Die komt in de vorm van een verheven speech van een verlichte blanke die zijn zwarte assistent zowaar als gelijke behandelt.

Quentin Tarantino laat zich inspireren door de nihilistische spaghettiwestern Django uit 1966, de anarchistische humor van Mel Brooks’ Blazing Saddles (1975), de zwarte woede van de ‘blackploitation’ uit begin jaren zeventig, waaronder de wraakwesterns rond ‘Nigger Charley’. Maar vooral door Mandingo, een curiosum uit 1975 dat je nog altijd niet zonder gekromde tenen kunt zien – een verdienste. De held is gladiatorslaaf. Zijn blanke meesteres dwingt hem tot seks, want haar man houdt liever huis onder zwarte plantagemaagden. Mandingo, indertijd neergesabeld als exploitatie van (interraciale) seks, is een harde blik op de morele degeneratie van de slavernij. Slaven verzetten zich: ze verachten hun meesters, vluchten, komen in opstand. En zo was het in het echt.

Bij Django Unchained geen spoor van zwarte opstandigheid: een plantagehouder verwondert zich daar hardop over. Het komt door de Uncle Toms, stelt hij, belichaamd door de vileine huisslaaf Stephen (Samuel L. Jackson). Hij is de ware vijand: het draait om de strijd tussen zwarte militant en ‘sell-out’. Leuk dat Tarantino het opneemt voor Malcolm X, maar door slaven als passieve massa te tonen, verschilt hij niet van Spielberg. Of ze nu worden bevrijd door een blanke redenaar of een zwarte pistolero, vee blijft het.

    • Coen van Zwol