Vooral de VVD uit twijfels over energiebeleid Kamp

Minister Kamp krijgt veel bijval voor zijn beleid om duurzame energie te stimuleren. Zijn eigen VVD zet hierbij nog de meeste vraagtekens.

Henk Kamp wil van geen enkel voorbehoud weten. Nederland moet over zeven jaar voor 16 procent op een duurzame manier in zijn energiebehoefte voorzien. Zonder gewijzigd beleid is het CO2-gehalte in 2050 verdubbeld.

„Dan stijgt de gemiddelde temperatuur op aarde met 3 procent en aan het eind van de eeuw zal dat nog hoger zijn”, aldus de minister van Economische Zaken gisteren in de Tweede Kamer. „Dit moeten we voorkomen en dat kunnen we ook.”

Duidelijke taal van VVD’er Kamp. Maar zijn partijgenoot René Leegte is minder overtuigd. Dit Tweede Kamerlid betoogde eerder dat de 16 procent aan duurzame energie uit het regeerakkoord „een voorwaardelijke doelstelling” is.

„De internationale concurrentiepositie van Nederland mag door klimaatbeleid of energiebeleid niet in gevaar komen”, betoogde Leegte. Hij sprak van een evaluatiemoment in 2016. „Als blijkt dat 16 procent niet reëel is, gaat het wat ons betreft niet door. We gaan niet evalueren om te bekijken hoeveel extra geld erbij moet.”

Kamp, gevraagd naar dit voorbehoud van de VVD-fractie, reageerde gisteren bijna achteloos. Gaat het inderdaad om een „voorwaardelijke” doelstelling? „Dat soort verschillen is niet aan mij besteed.”

Natuurlijk, door technologische ontwikkelingen kan er nog heel wat veranderen. Zie bijvoorbeeld de snelle opkomst van schaliegas in de Verenigde Staten, die mede daardoor op termijn in hun eigen energiebehoefte kunnen voorzien. „Dit alles neemt absoluut niet weg dat ik de doelstelling van 16 procent helder vind.” En om dat doel te halen zal de energierekening vanaf dit jaar extra stijgen, zo erkende de minister.

In 2020 moet Europa voor 20 procent van haar energiebehoefte op duurzaam invullen. Voor Nederland is het percentage door de Europese Commissie op 14 procent gesteld. Het regeerakkoord is dus ambitieuzer. Toen Leegte deze 14 procent als uitgangspunt leek te beschouwen, verweet Stientje van Veldhoven (D66) hem een terugtrekkende beweging te maken. „De heer Leegte onderhandelt hier achteruit en zegt: we zullen het nog weleens zien.”

In de behandeling door de Tweede Kamer van de begroting van Economische Zaken – door de drukte in de Kamer lukte dit niet voor de jaarwisseling – stond het energiebeleid centraal. In de aanloop naar het debat bleek een meerderheid in de Kamer voor een onderzoek naar de mogelijkheden van windmolens aan de kust (nearshore). Sinds 2005 is het beleid dat die molens minimaal 22 kilometer uit de kust komen te staan. Dan zijn ze niet zichtbaar vanaf het strand, maar wel zo’n 40 procent duurder.

Kamp is verder dan alleen een onderzoek. Hij maakte bekend dat het kabinet „rond de zomer bepaalt welke locaties binnen de 12-mijlszone zich kwalificeren voor windenergie op zee”. Twee jaar later hoopt Kamp concessies te kunnen verstrekken. Voor deze inzet kreeg de minister complimenten van zowel de Partij voor de Dieren („hij heeft zich goed verdiept in het klimaatprobleem”) als GroenLinks („ik hoor de minister heel verstandige dingen zeggen”).

VVD’er Leegte benadrukte aan het eind van het debat nog eens dat extra molens alleen maar tot meer kosten leiden, zolang elektriciteit niet kan worden opgeslagen. Nederland zou het Duitse overschot moeten benutten. „Extra molens dragen niet bij aan CO2-reductie”, betoogde hij. Kamp verklaarde blij te zijn met de kritische houding van Leegte rond windenergie. „Als wij niet oppassen gaan wij te snel.”

Volgens Leegte zou hechtere samenwerking met Duitsland sneller tot resultaat leiden, zodat Duitse molens kunnen meetellen bij de Nederlandse doelstelling. Ook Kamp ziet mogelijkheden en gaat nog deze maand met Duitse collega’s overleggen. Maar dat verandert niets aan de nationale doelstelling van 16 procent, aldus Kamp. „Europa heeft geconcludeerd dat het nodig is per land doelstellingen te formuleren.”

    • Erik van der Walle