Kunst uit Scandinavië: losjes en helder

Anders Zorn, ‘De luitspeler’ (1918, olieverf op doek, 100 x 75 cm) Gösta Serlachius Fine Arts Foundation, Finland

Nordic Art 1880-1920. T/m 5/5 in Groninger Museum.

De oplettende Nederlandse museumbezoeker heeft in de afgelopen jaren een goede indruk kunnen krijgen van de Scandinavische kunst aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Het Haags Gemeentemuseum bracht in 2005 een overzicht van de Finse kunst rond 1900, twee jaar later gevolgd door een tentoonstelling over de Finse schilderes Helene Schjerfbeck en een keuze uit de collectie van het museum in Ordrupgaard bij Kopenhagen, dat toen verbouwd werd. De Kunsthal toonde Edvard Munch, het Groninger Museum wijdde een tentoonstelling aan Finlands bekendste schilder Akseli Gallen-Kallela en op Illusie of werkelijkheid (2010) en Gedroomde landschappen (2012) in het Van Goghmuseum was het aandeel Scandinavische schilderijen ook opvallend groot.

Wat nog ontbrak was een echt overzicht, en daarin wordt nu door het Groninger Museum voorzien. Eén reisje naar Groningen en je ziet werk van Noorse, Zweedse, Deense en IJslandse schilders uit maar liefst 22 Scandinavische musea en een aantal particuliere collecties. Door de eerdere exposities herken je de hoofdrolspelers – kunstenaars als Munch, Edelfelt, Gallen-Kallela en Zorn. Je herkent soms zelfs schilderijen, zoals Anders Zorns Markt in Mora (1892), dat twee jaar geleden ook in het Van Goghmuseum hing. Maar in Groningen heeft dat doek nu gezelschap van twee andere grote Zorns en een groep aquarellen en olieverfschetsen van zijn hand.

Er is een schets bij van alleen de berm langs het pad naar die markt in Mora; op de grote versie lopen er mensen en vee op dat pad en zit er in het gras een jonge vrouw de wacht te houden bij haar dronken man of vriend, die buiten westen naast haar ligt. Leuk om te zien hoe Zorn zo’n schetsje op groot formaat nieuw leven inblies – en hoe zelfs de grote schilderijen van de Zweed iets schetsmatigs hebben gehouden. Een van de hoogtepunten op de tentoonstelling is zijn Luitspeler (1918), een onconventioneel liggend naakt. Je kunt je erover verkneukelen hoe het model tegelijk stevig en losjes geschilderd is: hoe in een paar donkere veegjes een beschaduwde oksel is gesuggereerd tussen haar lichte schouder en borst, hoe haar onderarm ontspannen op de klankkast rust en haar vingers op het instrument tokkelen, hoe haar schaamhaar mooi ruimtelijk geborsteld is met bijna zwarte verf.

Minder virtuoos geschilderd, maar wel goed geobserveerd is een interieur met een violiste en toehoorders van de Deense Anna Sophie Petersen uit 1891. Het lamplicht valt recht van boven op een tafeltje met spullen, weerspiegelt in de donkere ruiten en werpt een zachte gloed op de gordijnen. De schilderijen aan de muur, de meubels en de vier figuren hebben harde, donkere schaduwen. Twee van de luisterende vrouwen hangen als hedendaagse tv-kijkers in een bank. Lange avonden in de huiskamer.

De schilderijen van daglicht en buitenlucht ogen natuurlijk vaak koud, maar tegelijk een stuk helderder dan de landschappen die hier te lande in dezelfde periode door bijvoorbeeld de Haagse en de Amsterdamse School werden geschilderd. De vergelijking is in Groningen gemakkelijk te maken omdat in de andere vleugel van het museum momenteel de Collectie Veendorp wordt tentoongesteld, een mooie verzameling Nederlandse kunst rond 1900. Aan de Hollandse kant van de verbindingsgang hangen de potdichte grijze luchten van Roelofs en Tholen, aan de Scandinavische kant hangt bijvoorbeeld een dorpsgezicht in de vroege lente (1901) van de Deen Laurits Andersen Ring. Een klaarlicht landschap onder een grote blauwe lucht, waarin de wolken alle ruimte hebben.

De beide tentoonstellingen vullen elkaar goed aan, terwijl ze elk afzonderlijk ook al goed zijn voor een goed humeur.