'Jaarlijks zijn er 3,7 miljoen sportblessures'

Nederland. Rotterdam, 30-01-2005, Sport, Voetbal. Amateur voetbal, VOC, 17e elftal 05.041 SV Ommoord - VOC 17e elftal, De bank van VOC. een speler zit op de bank met een bonk ijs op zijn gebelesseerde knie. blessure Foto: Jiri Buller/Sportbeeld/Hollandse Hoogte Jiri Büller/Hollandse Hoogte

De aanleiding

In het Algemeen Dagblad stond vorige week maandag een artikel over een campagne van VeiligheidNL voor betere preventie tegen sportblessures. „Jaarlijks lopen Nederlandse sporters 3,7 miljoen sportblessures op”, stond in het artikel. We checken of dit aantal klopt.

Waar is het op gebaseerd?

De bron is de stichting VeiligheidNL. In een overzicht uit december staat: „Jaarlijks lopen sporters in Nederland naar schatting 3,7 miljoen sportblessures op.” Dit aantal komt uit het enquêteonderzoek Ongevallen en Bewegen in Nederland (OBiN), dat VeiligheidNL samen met TNO en het Mulier Instituut uitvoert in opdracht van het ministerie van VWS. Het is een continue enquête, waarvoor jaarlijks 11.000 Nederlanders worden ondervraagd over letsel en blessures, sportdeelname en bewegen. Het is een gemiddelde over de periode 2006-2011. VeiligheidNL spreekt van een ‘schatting van 3,7 miljoen sportblessures’. Het AD laat deze nuance weg. Het betreft een schatting, zegt onderzoeker Huib Valkenberg van VeiligheidNL, omdat het om een steekproef gaat, die met de bevolkingsstatistieken van het CBS wordt geëxtrapoleerd naar het totaal aantal blessures in Nederland.

En, klopt het?

De OBiN-enquête richt zich op alle Nederlanders, niet alleen op sporters. De 11.000 ondervraagden komen uit het panel van peilbureau Ipsos. Het onderzoek onderging in 2006 een belangrijke verandering. Tussen 2000 en 2005 werd de enquête in zijn geheel telefonisch afgenomen en vanaf 2006 met een zogeheten ‘mixed-mode’: de leeftijdsgroepen 0-14 jaar en 65 jaar en ouder worden telefonisch ondervraagd en het merendeel van de respondenten tussen 15 en 64 met een webenquête. De verandering van methode heeft grote gevolgen voor de schatting van het jaarlijks aantal sportblessures. Op basis van de OBiN-enquête werd het aantal sportblessures tussen 2000 en 2005 geschat op 1,5 miljoen, fors lager dan de huidige schatting van 3,7 miljoen. Telefonisch geïnterviewde respondenten melden aanzienlijk minder blessures dan respondenten via internet. 59 procent van de respondenten wordt online benaderd.

TNO heeft in 2010 onderzoek gedaan naar de veranderingen in de manier van enquêteren. De belangrijkste oorzaak voor het grote verschil lijkt het ‘methode-effect’. Dit effect treedt op als de wijze van benadering de beantwoording beïnvloedt. Valkenberg: „De belangrijkste reden waarom ondervraagden op internet meer blessures melden is hoogstwaarschijnlijk dat men bij online ondervraging beter en langer de tijd neemt zich eventueel letsel te herinneren, terwijl bij ondervraging aan de telefoon deze tijd niet wordt genomen. De nieuwe methode van ondervraging benadert het werkelijke aantal sportblessure beter.”

Klopt dat? Jelke Bethlehem van de Universiteit Leiden is bijzonder hoogleraar survey-methodologie. Internetenquêtes zijn niet per definitie beter, zegt hij. „Door de afwezigheid van interviewers staan mensen er bij het invullen alleen voor. Ze lezen de vragen niet goed, scannen snel, zoeken de makkelijkste manier om de vragen te beantwoorden en raffelen de vragenlijst af. Met een interviewer is de kwaliteit van de antwoorden meestal beter.”

Dan de definitie van een ‘sportblessure’. Valt hier ook een schaafwond of een bloedneus onder? Volgens Karin Klein Wolt, projectleider OBiN, gaat het om de volgende definitie: ‘Een letsel dat ontstaat door een plotselinge gebeurtenis tijdens sportbeoefening of dat geleidelijk ontstaat ten gevolge van het sporten. Letsel dat tijdens schoolsport en bij sportbeoefening onder werktijd ontstaat behoren ook tot de sportblessures.’ Aan de respondenten wordt gemeld wat er algemeen wordt verstaan onder een sportblessure, aldus Klein Wolt. „Maar uiteindelijk is het de respondent zelf die bepaalt of hij of zij een schaafwond wel of niet tot een blessure rekent.”

Conclusie

Het AD schreef dat Nederlandse sporters jaarlijks 3,7 miljoen sportblessures oplopen. De enquête waarop dit is gebaseerd heeft voldoende respondenten om een extrapolatie naar het totale aantal sportblessures in Nederland te kunnen maken. Wel zijn er twee kritiekpunten: de definitie van een sportblessure zou duidelijker omschreven kunnen worden en het is de vraag of de nieuwe manier van enquêteren de beste methode is. Omdat het jaarlijkse aantal sportblessures door die nieuwe, wellicht minder betrouwbare, methode omhoog schoot van 1,5 naar 3,7 miljoen valt volgens ons niet te zeggen of er jaarlijks daadwerkelijk 3,7 miljoen sportblessures zijn in Nederland. Of deze bewering klopt is daarom voor ons niet te checken.

    • Steven Verseput