Hoe een medicijn het wielrennen ziek maakte

Eigenlijk zijn er twee soorten wielrennen: vóór de intrede van epo en na de intrede van epo. Het wondermiddel veranderde knechten in kampioenen en doping in business. Epo veranderde het wielrennen voorgoed.

Hij had al langer het gevoel dat er iets niet klopte. Sommige renners hadden het over een wondermiddel, over succes uit een spuit. Peter Winnen besloot de afvalbakken van een Italiaanse ploeg door te spitten. Daar, tussen de bananenschillen, de lege colablikjes en de oude kranten, vond hij het definitieve bewijs. „Ik vond lege ampullen. Eprex.”

Eigenlijk zijn er twee soorten wielrennen. Het wielrennen vóór epo, en het wielrennen na epo. Epo was doping zoals er nog nooit doping was geweest. Zoals oud-renner Eddy Bouwmans zegt: „Vergeleken met epo was de rest een placebo.”

Het middel wordt het eerst ontdekt door atleten. In 1988 geeft de ex-atleet David Jenkins een interview in het maandblad Sport International, waarin Jenkins zegt dat epo al in 1986 in omloop was in de atletiek.

In het wielrennen is doping halverwege de jaren tachtig voor het grootste deel nog ongestructureerd gepruts in de marge. Verzorgers mengen dubieuze toverdrankjes, als eigentijdse druïdes. Winnen: „Het ging voor veel renners volgens mij vaak om het placebo-effect. Mijn verzorger Jommeke vertelde eens dat hij soms 2cc water in een bil spoot – daar vlogen ze ook op.”

De verzorgers bepalen wat er gebeurt. Alexi Grewal, een Amerikaan die onder andere voor de Nederlandse Panasonic-ploeg van Peter Post heeft gereden: „Op de eerste meeting met de soigneur werd duidelijk gemaakt dat ik ‘preparatie’ diende te ondergaan als ik in de positie was om goede resultaten te halen – er werd van me verwacht dat ik de soigneurs hun gang liet gaan zonder vragen te stellen. Hun belangrijkste strategie leek te bestaan uit testosteron en sommige anabole steroïden.”

Het gebruik van testosteronbolletjes is doodnormaal. Het middel dient om te herstellen na grote inspanningen. Eddy Bouwmans: „De bolletjes stonden bij iedere verzorger in de auto. Het was eigenlijk net als een colaatje pakken na de koers.”

Maar over het algemeen is de invloed van doping op het koersverloop nog relatief beperkt. Als er doping wordt gebruikt, dan gaat het vooral om producten als cortisonen, testosteronbolletjes en – zeker in het circuit van kermiswedstrijden – amfetaminen. Een handvol renners experimenteert met bloedtransfusies. Peter Winnen: „Het was een goeie tijd om wielrenner te zijn, de rest reed niet heel hard. Er waren niet heel veel middelen waar je van ging vliegen. Met amfetaminen kon je niet veel doen omdat die makkelijk op te sporen waren – en daar ging je sowieso niet veel harder van rijden. Met cortisonen werden volgens mij meer koersen verloren dan gewonnen. Het was een kwajongenstijd. Ik heb dat apparaat van Willy Voet – waarmee je urine kon inbrengen in de anus om de dopingcontroleur om de tuin de leiden – wel eens in werking gezien. Hahahaha! Het leek verdacht veel op Monthy Python’s Flying Circus.”

Maar eind jaren tachtig verandert de sport. Er komt meer geld, de ploegen worden professioneler, en diverse teams trekken artsen aan. De intrede van doktoren en professoren – zoals de Italianen Francesco Conconi en Michele Ferrari – loopt parallel aan de introductie van epo in het peloton. Peter Winnen: „In 1988 ging het los. Sommige renners reden me voorbij alsof ze een hulpmotor hadden. Vooral bergop. Wie? Een paar Italiaanse jongens. Ik ben gaan vragen en had al snel antwoord. ‘Er zijn spullen op de markt die lijken op hoogtestage’, zei een van die Italianen tegen me.” Een jaar later, in 1989, vindt Winnen de ampullen Eprex in de vuilnisbakken van een Italiaanse ploeg.

Epo is in die jaren nog beperkt beschikbaar. Er zijn maar weinig artsen die epo kunnen leveren. Een ex-renner zegt: „Je had drie kliekjes die aan epo konden komen. Die rond Conconi en Ferrari – daar zaten allerlei renners uit Italiaanse ploegen. In de jaren negentig kwam er een kliekje uit België bij, met allerlei coureurs van GB-MG. En je had nog een groepje in Spanje. De rest had het niet, of nauwelijks – en lag achterop.”

In Nederland is er ook een ploeg die wielrennen benadert met een team van medici: PDM – in het peloton al snel Pills, Drugs & Medicine genoemd. De kopmannen worden maximaal geprepareerd, de knechten krijgen een stuk minder – hun dopingbehandeling bestaat voor het grootste deel uit testosteronbolletjes, zo vertelt een ex-renner van de ploeg.

Peter Winnen: „Er gingen eind jaren tachtig al veel verhalen over PDM. Ze hadden een lab in Eindhoven. In 1988 scheen PDM bezig te zijn geweest met bloedtransfusies.” Die lezing wordt bevestigd door een andere renner: „Peter Janssen, de ploegarts, had iemand gevonden in Duitsland voor bloeddoping.”

Peter Winnen stopt in 1990 met wielrennen. „Met een gore smaak in mijn bek, kun je wel zeggen. Ik voelde dat het uit de hand liep. Het ging bijna over leven en dood. In 1990 was het romantische fietsen echt voorbij. Het hoorde wat mij betreft niet bij sport.”

Edwig Van Hooydonck, tweevoudig winnaar van de Ronde van Vlaanderen: „Ik denk dat epo begin jaren negentig in het peloton stilletjes z’n opmars maakte. Je merkte het, hè. Vooral bij de Italiaanse renners, later ook bij de Spaanse. Ze reden ineens veel rapper bergop – je denkt, wat is dat hier?’’

Epo verspreidt zich als een infectieziekte door het peloton. Het middel is té goed. Renners met epo verpletteren renners zonder epo. In 1991 zet de internationale wielerunie UCI het middel op de dopinglijst, maar manieren om het op te sporen zijn er niet. Wie wil meedoen om de overwinning moet wel spuiten. Dromen slaan aan gruzelementen, contracten komen op de tocht te staan. Meer en meer renners bezwijken onder de druk; en steeds vaker wordt epo óók een middel voor de knechten. De geboren knecht Gert Jakobs (ex-PDM en ex-Festina-coureur): „Ik gebruikte epo in de Tour van 1993, toen ik bij Festina reed.”

Een ex-renner van TVM vertelt dat de Deen Bo Hamburger al in de Tour van 1993 een machine met zich mee zeulde om zijn hematocriet te meten. Hamburger zou later epogebruik toegeven in zijn boek: „Doping maakte midden jaren negentig deel uit van het wielrennen. Het was ofwel stoppen met wielrennen ofwel doen zoals de anderen deden.” Johan Capiot, destijds ook renner van TVM, spuit zichzelf in 1993 in met epo. Hij kocht de ampullen volgens een getuige van GB-MG-dokter Yvan van Mol, tegenwoordig ploegarts bij Quick Step. En ook Steven Rooks gebruikt epo bij TVM. „Het ene moment reed ik alle klassiekers bij de eerste vijf, het andere moment was ik nergens meer. In ’94 heb ik epo gebruikt. Dat maakte me beter. Met epo herstel je sneller en kun je dieper gaan.”

Eddy Bouwmans, ex-renner van Panasonic: „In 1992 ging het nog. Ik kon met talent en training nog ver komen. In de Tour werd ik 14de en won ik het jongerenklassement. Er gingen wel geruchten over epo, ik dacht dat het allemaal wel meeviel. Maar in 1993 werd ik gaandeweg het seizoen met de neus op de feiten gedrukt. Ik werd weggereden. Sommigen reed ik het ene jaar op een half uur in de Tour, het jaar erop zaten ze een kwartier voor me. In 1994 werd het helemaal belachelijk. Ik weet nog dat Giorgio Furlan het hele peloton in de Ronde van Zwitserland te kijk zette: hij reed op een klim van ons weg alsof hij op een brommer zat. De mannen van GB-MG en Mapei deden precies hetzelfde. Wij reden op benzine, zij op kerosine. Het had niks meer met wielrennen te maken.”

Bouwmans wordt onder druk gezet door zijn sponsor. „De grote baas van Histor kwam bij me op de hotelkamer. ‘Je moet naar de dokter gaan om de goeie spullen erin te gooien’, zei hij.”

Ook Eddy Bouwmans krijgt het dilemma op zijn bord: meedoen of afhaken? „Peter Janssen gaf epo aan me. Hij zei: „Misschien moet je dit eens proberen.” Hij was geen slechte ploegarts: in mijn beleving was hij heel voorzichtig. Ik heb in 1994 twee of drie keer epo gebruikt, anderhalve maand lang. Kleine beetjes. Ik won er geen koersen mee: eigenlijk had ik er vooral veel stress door. Ik was heel bang om positief te zijn – ook al was het nog niet op te sporen. En ik wist ook niet wat het gevolg van epo was op lange termijn voor de gezondheid. Ik ben ermee gestopt. Ik dacht: ik ben toch niet gek? Het was niks voor mij. Ik won liever één koers per jaar zonder spul dan vier per jaar met epo.”

Bouwmans haakt af en zou nooit meer een rol van betekenis spelen in de grote wedstrijden. Hij stopt in 1997. „Nadat ik stopte heb ik jarenlang geen wielrennen gekeken. Ik hoefde niet te zien hoe iemand als Richard Virenque de ene rit na de andere won. Ik was van vergelijkbaar niveau als hij, ik klopte hem de eerste jaren regelmatig. Maar op mijn 28ste zat ik thuis en won hij ritten in de Tour.”

Edwig Van Hooydonck is dan al gestopt – hij wil niet langer meedoen aan het epo-circus. „Nadat ik gestopt ben heb ik een gesprek gehad met Hein Verbruggen [destijds voorzitter van de internationale wielerunie UCI], hem verteld wat er speelde. Hij zei dat ik overdreef. Maar ik neem het de mensen die epo in het peloton hebben gebracht het meest kwalijk. De doktoren dus.”

Peter Winnen: „Er zijn zoveel kansen geweest om het op te lossen. In de begintijd van epo hebben ploegleiders – onder wie Walter Godefroot en ik denk ook Jan Raas – aan de bel getrokken bij de UCI. Daar is – behalve het instellen van een hematocrietgrens – niets mee gedaan. En nu zitten we met een klucht van zeven Tours zonder winnaar.”

Met de intrede van epo verloor het wielrennen voorgoed haar onschuld. Achteraf is in het begin van de jaren negentig de kiem gelegd voor veel van de problemen die de wielersport nu nog achtervolgen – met een cocktail van geld, doktoren en een gebrek aan controles. Het veranderde renners, het veranderde het peloton, het veranderde de cultuur.

Het wondermiddel epo liet renners vliegen, maar maakte de sport doodziek.