Extra parkeerplaatsen

Was er ooit een betere tijd om journalist te zijn? Natuurlijk is het verleidelijk terug te verlangen naar de tijd toen kranten nog status, geld en arrogantie hadden (volgens sommigen hebben ze nu alleen nog dat laatste). Maar mensen, wat biedt de communicatierevolutie veel nieuwe mogelijkheden!

Vorige week schreef ik op deze plek over Bill Harrington, voormalig senior analist bij kredietbeoordelaar Moody’s. Hij schetste hoe kredietbeoordelaars in het huidige financiële stelsel fungeren als parkeerplaats voor verantwoordelijkheid. Kredietbeoordelaars worden betaald door dezelfde zakenbanken van wie ze de complexe financiële instrumenten beoordelen. Als vervolgens een ‘superveilig’ instrument implodeert – zoals tijdens de crisis van 2008 – verwijzen de banken naar de kredietbeoordelaars, en die verschuilen zich weer achter de grondwet. Hun beoordelingen waren slechts ‘meningen’ geweest.

Zoals bijna steeds nam een aantal insiders contact op via hun privémail met aanvullingen, kritiek of verdere onderbouwing. Zoiets was twintig jaar geleden niet snel gebeurd; het schrijven, frankeren en posten van een papieren brief vormde simpelweg een te hoge barrière. Reageren is nu snel en gratis, terwijl het checken van die reacties ook veel makkelijker is geworden; je kunt namen van reageerders invoeren in Google en de netwerksite LinkedIn. Het kan dat een hufter zo’n naam van LinkedIn plukt en een e-mailadres verzint, maar dat is een boel werk en de meeste hufters zijn lui. Via e-mail kan ik vervolgvragen stellen, om die eventuele hufters eruit te filteren. Probeer dat allemaal maar eens per papieren post.

Niet alle reacties zijn even helpful, zoals Britten dat met gevoel voor understatement zeggen („meneer Luyendijk, het zijn de Joden”), maar deze week wezen serieuze lezers allen op een belangrijke tekortkoming in het stuk: het is namelijk nog erger. In de woorden van een zakenbankier: „De kredietbeoordelaars zijn zo machtig geworden omdat ook de kopers van instrumenten van de verantwoordelijkheid af wilden. Denk aan alle pensioenfondsen, beleggingsfondsen, vermogensbeheerders, lagere overheden, etcetera.”

Extra plekken op de parkeerplaats! Ik had geschreven dat kredietbeoordelaars in principe erg nuttig zijn omdat investeerders „onmogelijk zelf kunnen gaan uitzoeken en bijhouden hoe solide of riskant een bepaald land, bedrijf of financieel instrument is”. Meerdere insiders zeiden hierop: nou, natuurlijk kunnen ze dat wél. „Sterker nog: vroeger déden ze dat ook. Maar meedoen aan de ‘globalisering’ en opschalen van vijftien lokale investeringen naar vijfhonderd ter wereld, ja, dat kun je niet zomaar. Het was zo aantrekkelijk: beleggen opende winstmogelijkheden en iedereen had dollars in de ogen. Hoe makkelijk is het dan om de verantwoordelijkheid over je eigen risicobeheer bij iemand anders te leggen? Als de belegging winst oplevert, dan heb ik dat voor u verdiend, maar bij verlies, tja dan heb ik toch netjes belegd, want kijk: de rating was goed.”

Iemand uit de wetenschap voegde toe: ook overheden en toezichthouders blijven waarde hechten aan oordelen van kredietbeoordelaars. Als centrale banken complexe instrumenten op de balansen van banken moeten waarderen, gebruiken ze de ‘ratings’ van de kredietbeoordelaars. Dit baart Bill Harrington nu de grootste zorgen. Volgens hem zijn veel van die ‘ratings’ nog altijd te positief – en de gaten op balansen van banken dus nog groter.

Belofte voor volgende week: een idee hoe je de cultuur in zakenbanken zou kunnen verbeteren.

    • Joris Luyendijk