Een twijfelaar onder eurofoben en eurosceptici

David Cameron was nooit heel uitgesproken tegen Europese integratie, maar hij hield ook niet van de EU. Uit politiek belang verhardt zijn standpunt.

Instinctief meed Europa Foto AP

Een eurofiel was David Cameron nooit. Maar van een partijleider die niet wilde „doordrammen over Europa” is hij veranderd in een premier wiens politieke carrière wordt gedomineerd door Europa.

Dat ligt niet aan hem. Althans, niet alleen. Cameron heeft, net als zijn Conservatieve voorgangers Margaret Thatcher en John Major, te maken met een hardnekkig eurosceptisch deel van zijn partij. Die hardliners vinden dat het Verenigd Koninkrijk nooit zijn soevereiniteit uit handen had mogen geven aan Brussel. Hun overwegingen zijn emotioneel, hun bewoordingen scherp, hun toon schel.

Maar tijdens Thatcher en Major was de Conservatieve partij verdeeld tussen eurosceptici en eurofielen. Cameron heeft niet alleen te maken met eurosceptici, maar ook met een koor van eurofoben, onder wie veel jonge Lagerhuisleden. Zij klinken minder emotioneel, maar hun boodschap is dezelfde: de Europese Unie is een bron van problemen. Er zijn ruim twintig pro-Europeanen, onder wie minister zonder portefeuille Ken Clarke, en zelfs zij noemen zich liever ‘eurorealisten’.

Dat komt doordat de Europese politieke situatie is veranderd. Toen het Verenigd Koninkrijk in 1973 toetrad tot de toenmalige Europese Economische Gemeenschap (EEG) bloeide de Europese economie, en zat de Britse economie in een dal. Maar de eurocrisis heeft de Britse twijfel over het nut van Europa doen groeien, net als bijvoorbeeld de komst van Polen en Roemenen, en de vermeende hoge kosten die het lidmaatschap met zich meebrengen.

Bovendien was in 1973 de EEG een vrijhandelszone, nu groeit de Unie steeds meer uit tot een unie. Daar zullen de Britten zich nooit aan committeren. Maar het betekent ook dat het Verenigd Koninkrijk in een Europa van twee snelheden niet tot de kern behoort. En dat is voor veel Britten reden om voor uittreding te pleiten.

Cameron zelf is een praktische eurotwijfelaar. Hij ziet de voordelen van het EU-lidmaatschap voor de Britten. Tegelijkertijd is hij beïnvloed door zijn voorgangers. Enkele dagen nadat Thatcher in Brugge in 1988 haar twijfels uitte over Europese integratie, kwam Cameron op het hoofdkantoor van de Tories te werken. En tijdens ‘Zwarte Woensdag’ in september 1992, toen het pond uit het Europese wisselkoersmechanisme viel waardoor de partij en regering in crisis raakten, was hij de rechterhand van Majors minister van Financiën Norman Lamont.

Cameron weet ook dat Europa een van de redenen was waarom Thatcher werd onttroond, en dat de EU voor Major de grote splijtzwam in de partij werd. En al wist die in Maastricht in 1991 opt-outs te verkrijgen, het was voor de eurofoben onvoldoende. Zijn hele premierschap zouden ze blijven rebelleren.

Instinctief ging Cameron daarom het onderwerp uit de weg. In zijn eerste jaren als partijleider lukte dat. Hij paaide de hardliners door uit de fractie van de Europese Volkspartij in het Europarlement te stappen. Hij wijdde vervolgens op zijn eerste partijcongres geen woord aan de verhouding met Europa.

Die strategie zette hij voort als premier – niet in het minst omdat er samengewerkt moest worden met de pro-Europese Liberaal-Democraten. Zijn veto in december 2011 was vooral bedoeld om de steeds luidruchtiger eurofoben tevreden te stellen.

Maar het gevolg was dat hij in Europa geïsoleerder kwam te staan. En dat voor elke volgende eurotop het thuisfront een hardere lijn eiste, waardoor Cameron in Brussel op steeds hogere toon eisen stelde. Tot groot ongenoegen van zijn Europese collega’s. Hij moest ophouden eurolanden „de les te lezen en vervolgens elke oplossing blokkeren”, zou de Franse oud-president Sarkozy hebben geschreeuwd.

Het gevolg was ook dat de roep om het terughalen van bevoegdheden in het Verenigd Koninkrijk juist toenam, ook binnen het kabinet. Daarin schuilt gevaar voor Cameron. Zijn uitdagers voor het partijleiderschap zijn eurosceptischer dan hijzelf en uiten dat ook. Openlijk zei minister van Onderwijs Michael Gove dat hij „klaar is om op te stappen”. Minister van Sociale Zaken Iain Duncan Smith denkt dat het land „buiten Europa zou bloeien”. Tegelijkertijd vrezen gewone partijleden dat ze door hun samenwerking met de LibDems zetels te verliezen aan de eurosceptische UK Independence Party.

Het maakt dat Camerons pragmatische houding niet langer is vol te houden. Europa is een bedreiging geworden. Hij moet morgen kleur bekennen, om in elk geval zijn partij bijeen te houden.