Een nieuwe lichting operaregisseurs

Floris Visser (29) regisseert Benjamin Brittens opera Owen Wingrave in Haarlem. Lange tijd waren er weinig Nederlandse operaregisseurs actief, nu is er een hausse.

Een bizarre keus. Een onmogelijk beroep. Kansloze verbintenis met een op sterven na dood genre. Dat waren kortweg de reacties die operaregisseur Jetske Mijnssen (42) kreeg toen ze eind jaren negentig na een studie Nederlands begon aan de regieopleiding van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten en zich wilde toeleggen op opera. „Volstrekt not done”, zegt ze. „Maar voor mij was het duidelijk dat ik juist wél opera wilde regisseren. Met de toneelregie worstelde ik; als theatermaker komen beelden bij mij echt boven door muziek.”

Jarenlang was Mijnssen de uitzondering die de regel bevestigde. Operaregie in Nederland was het domein van grote namen uit het buitenland. Naast Gerrit Timmers en Mirjam Koen (opera O.T.) en een incidentele productie van Monique Wagemakers, Wim Trompert, Peter te Nuyl, Marcel Sijm of David Prins was er nauwelijks een Nederlander actief als operaregisseur – en al helemaal niet in het buitenland. Maar waar het politieke draagvlak voor muziektheater afneemt, trekt een nieuwe generatie de aandacht. Allen jong, allen extreem bevlogen, allen ook opmerkelijk succesvol – vooral in de Duitstalige landen.

„Opera werd door de generatie voor ons ‘elitair’ gevonden”, zegt Floris Visser (29). „Van dat etiket hebben we nog steeds wel last. Dus sleur ik steeds weer mijn hele kennissenkring mee. Kom op, ga mee, het is gewoon een verhaal dat wordt verteld – maar dan met prachtige muziek erbij.”

Van Vissers hand ging vrijdag in Haarlem een indrukwekkende nieuwe productie van Benjamin Brittens opera Owen Wingave in première. Zijn collega Jim Lucassen (37) staat in de startblokken om in het Landestheater in Salzburg de Werther van Massenet te regisseren. („Is Werther een lijdende held of eigenlijk toch een vervelende stalker?”) Lotte de Beer (30) werkt in Wenen aan een kameroperaversie van La Bohème voor het Theater an der Wien. En Michiel Dijkema (38) repeteert Die verkaufte Braut van Smetana in Wiesbaden.

En Jetske Mijnssen? „Ik ben nu thuis”, lacht ze. Daar sleutelt ze aan drie nieuwe producties voor komend seizoen – voor de opera’s van Bern, Saarbrücken en Hamburg. „Zelfs tijdens het joggen of de boodschappen denk ik na over mijn werk. Zal ik Violetta in La traviata laten doodgaan of niet?”

Anders dan Mijnssen, De Beer, Visser en Lucassen volgde Michiel Dijkema een officiële opleiding tot operaregisseur. Zijn achtergrond als pianist, liedbegeleider en regisseur van studententoneel vloeide als vanzelf in de keuze voor operaregie samen, zegt hij. Toen dat eenmaal vaststond, had hij de keuze: óf ergens gaan assisteren, of terug naar school. „Ik heb naïef een paar A4’tjes met een concept voor Die Zauberflöte naar de Hanns Eisler Hochschüle für Musik in Berlijn gestuurd en werd aangenomen. Pas later zag ik de telefoonboekdikke concepten van mijn concurrenten.”

Toch was het niet de „grondigheid van het Duitse conceptdenken” maar de praktische aard van de opleiding die zijn extra studiejaren waardevol maakte, zegt Dijkema. „Ik had al veel amateurtoneel geregisseerd, maar werken met zangers is iets totaal anders. Voor een toneelacteur is acteren een creatieve zoektocht naar het tempo en ritme van de taal. Voor een zanger staat de taal vast; de verdieping moet komen uit de handelingen. Ik houd erg van beweeglijk theater, maar dat laat zich vaak slecht met zingen combineren. Je moet als regisseur echt alle rusten kennen, precies weten waar een muzikale frase zijn hoogtepunt bereikt – opdat je daar misschien iets mee kunt doen. Zonder mijn muzikale achtergrond was ik een andere regisseur geweest. Een minder goede, ja, dat denk ik wel. In Duitsland zie je vaak filmregisseurs die ook eens een opera proberen. Die weten niet wat ze de zangers moeten vragen, en dat leidt vaak tot statisch theater.”

In een mooie jurk

Lotte de Beer wist als zevenjarige dat ze ‘iets’ met opera wilde. Het geroezemoes, de sfeer van het theater. Misschien zangeres in zo’n mooie jurk? Ze volgde de vooropleiding van het conservatorium maar koos – net als Jetske Mijnssen – toch voor de Amsterdamse theateropleiding omdat ze regisseren het leukste vond. Ook Floris Visser was een zingend kind; zijn weg liep via musicals, de toneelschool in Maastricht en het conservatorium in Den Haag (zang). Jim Lucassen ontdekte relatief laat dat „in operaregie al zijn passies samenkwamen”. Mensen, (hij studeerde onder andere sociologie), concepten ontwikkelen, iets maken. „We zijn van één generatie maar we komen wel uit heel verschillende hoeken”, overziet Michiel Dijkema. „Ik geef toe: het is opvallend dat we allemaal gelijktijdig bloeien in een vak dat vóór ons zoveel minder populair was. Maar ik vrees dat het toeval is.”

Lotte de Beer betwijfelt dat. „Wij, dertigers van nu, zijn opgevoed door babyboomers. Zij verzetten zich tegen conventies en tradities, wij hebben juist wél weer belangstelling voor de klassiekers, de oude theaterwetten, het ambacht. Zelf in een oranjebruine kelder al improviserend het wiel opnieuw uitvinden? Prima, maar wij willen ook weten wat er vóór de jaren zeventig gebeurde. Ik denk dat we, juist omdat we zo individueel en rationeel zijn opgevoed, zoeken naar overkoepelende emoties en rituelen. Die op zich niet ongevaarlijke behoefte kun je in opera als in geen ander genre de goede kant op buigen, door verhalen te vertellen die gaan over ons, over nu. Muziek overschrijdt altijd de grens van het rationele, dat is het mooie en het aantrekkelijke.”

De herwaardering van het ambacht ligt aan de basis van hun succes – daarover zijn De Beer en haar collega’s het eens. „Een bevriend theaterregisseur was laatst bij een van mijn repetities”, lacht Floris Visser. „Hij vond het fascinerend. ‘Als toneelregie een zeilschip is, dan is opera een olietanker’, zei hij. De schaal en de complexiteit van opera zijn echt van een aparte orde.”

Visser wil de verworvenheden van de jaren zeventig niet bagatelliseren, zegt hij. „Theater als work-in-progress, met Het Werkteater als ultiem voorbeeld, heeft zeker zijn charme. Maar in opera heb je geen zes weken om je eigen taal uit te vinden. Ik heb een draaiboek. Daarin staat alles. Ik doe soms alsof ik er niet in kijk, maar zodra de repetitie voorbij is, pak ik het er weer bij. Wat heb ik vandaag bereikt? Waar staan we?”

„Floris is veel perfectionistischer dan ik, maar ook bij mij geldt: wat ik wil, ligt van tevoren exact vast”, zegt Lotte de Beer.

„In opera komt alles samen”, verklaart Jim Lucassen. „Daarin schuilt de aantrekkingskracht, maar ook de moeilijkheid. Veel is ervaring. Gewoon door te doen ben ik nu een beter regisseur dan vijf jaar geleden.”

Slaapgebrek

Floris Visser slaapt weinig, zegt hij. Vier uur, misschien vijf. „Ik heb die twintig uur nodig om mijn werk te doen.” Vooral nu; Owen Wingrave ging vrijdag in Haarlem in première. „De montagetijd was extreem kort. Dat gaf veel extra spanning, maar dat is deze tijd: er wordt zoveel mogelijk op de kosten bezuinigd. Daarover klagen weiger ik pertinent. Ik wil gewoon opera maken.”

Over de hoeveelheid werk hebben Visser en zijn collega’s geen van allen te klagen. Vooral in Duitsland met zijn 95 operahuizen zijn ze zeer actief. „Wat je van ver haalt, is lekker”, zegt Visser. „En dat werkt twee kanten op. Om in Nederland voet aan de grond te krijgen moet je eerst elders je sporen hebben verdiend, maar in Duitsland zijn wij nu al zeer populair. Waarschijnlijk speelt daarin, omgekeerd, exact hetzelfde mechanisme mee.”

Gebrek aan kansen in eigen land? Daarover wil Jetkse Mijnssen niet mopperen, benadrukt ze. „Het allerbelangrijkste is dat je werkt voor een huis waar je je gewaardeerd weet. En waar je kunt werken met een goede dirigent, in een goed artistiek team. Dát laat je vliegen. Waar dat huis staat, is echt secundair.”

Jim Lucassen deelt die mening, maar zou wel graag nog eens in Amsterdam werken. De Nederlandse Opera laat wat dat betreft kansen liggen, vinden allen. Dijkema: „Ze engageren de absolute wereldtop van regisseurs, en dat moeten ze ook doen. Maar daarnaast af en toe een kans geven aan een jong talent van eigen bodem zou er ook toe kunnen leiden dat je als operahuis iemand ontdekt en kunt zeggen: ha, die is hier nog doorgebroken!”

Opera Trionfo: ‘Owen Wingrave’. Tournee t/m 20 maart. Inl: www.operatrionfo.nl

De ster van Floris VIsser (29) rijst snel. Hij assisteerde Willy Decker en noemt hem zijn mentor. Zijn Carmen in Delft was een groot succes. Nu te zien: Owen Wingrave. Daarna staan opera’s in Osnabrück en bij de Reisopera gepland. Visser geeft dramales aan het conservatorium A’dam.

Lotte de Beer (30) liep stage bij de Ned. Opera en assisteerde Peter Konwitschny. Van allen kreeg zij bij DNO de meeste kansen (Ringetje; Waiting for Miss Monroe) al werkt ook zij veel in Duitsland. Met haar Operafront wil ze opera relevant en aansprekend maken voor jongeren nu.

Jim Lucassen (37) schreef zijn masterscriptie over opera in Oost-Berlijn maar koos voor de praktijk. Hij assisteerde o.a. Robert Carsen, Peter Sellars en Harry Kupfer en werkt nu zelf succesvol in Duitsland, Frankrijk en Zwitserland.

Michiel Dijkema (38) regisseert en ontwerpt decors. Voor de Reisopera ensceneerde hij Pelléas et Mélisande (Debussy), La Cenerentola (Rossini) en Orfeo ed Euridice (Gluck). Hij won enkele internationale regieprijzen en werkt al in de grote Duitse huizen.

Jetske Mijnssen (42) brak in Duitsland door met haar regie van Mozarts Entführung aus dem Serail. Ze is nu vooral actief in Duitsland. Zwitserland en Oostenrijk.