Een middelvinger

In de tram las ik een hondsmoeilijk boek, zo zwaar als een melkpak, echt zo’n boek voor dwepers en snobs: Ulysses, door James Joyce.

In de tram een hondsmoeilijk boek lezen heeft bijna iets provocerends gekregen. Daarom zie je ook zoveel e-readers, denk ik: dan kun je stiekem lezen.

Ik bladerde wat en sloeg soms hele stukken over. Het ging over een dichter en een reclameman, die samen gedurende 900 pagina’s niet zo gek veel leken mee te maken; de rest verklap ik niet.

‘Seks houdt boekenmarkt overeind’, berichtte de NOS vorige week. Dat ‘seks’ sloeg op het succes van de mamaporno. Zonder die mamaporno zou zoiets als Ulysses allang foetsie zijn.

In Ulysses komt ook seks voor, zoveel zelfs dat het boek erom verboden werd. Maar kennelijk toch niet het soort seks dat winkels overeind houdt.

Iets later zat ik in het café ik tegenover de vertalers van het melkpak.

Die avond zouden ze een cursus geven, de allereerste cursus ‘Ulysses lezen’, tien avonden voor 325 euro.

Vooraf had ik een slimme vraag bedacht: als je een cursus nodig hebt om een boek te kunnen lezen, is het dan wel een goed boek?

Maar de vertalers waren niet onder de indruk. Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes, zo heten ze. Een olijk duo, de ene met een grote bril, de ander met een kleiner montuurtje. Ze kenden elkaar al sinds hun studietijd in Amsterdam, begin jaren tachtig, toen er nog wel eens traangas in de lucht hing en er nog punkers woonden.

Hun vertaling was al aan de derde druk toe, het e-book meegeteld. De cursus was „een kwestie van literaire nazorg”, zei Erik.

Ja, Ulysses lees je niet zomaar uit – daar ging het duo niet moeilijk over doen. Maar je krijgt er zo veel voor terug. Het kan je lijfboek worden. Een metgezel. En het is als met sterrenhemels: hoe langer je kijkt, hoe meer je ziet. Je moet dit boek niet lezen; je moet het herlezen. En om het te kunnen herlezen, moet je het toch eerst lezen.

Erik: „Het lijkt soms of de pulp het heeft overgenomen. De mensen vluchten bijna allemaal in troep; maar de rest gaat ondergronds.”

Robbert-Jan: „Er zijn gelukkig nog allerlei Gallische dorpjes.”

In hun studententijd schreven ze samen opruiende pamfletten. Ze vormden een tweemansguerrilla.

Robbert-Jan: „Nu zijn we eigenlijk al opruiend door mooie dingen te maken.”

Erik: „Wat dat betreft is dit boek ook een soort middelvinger, tegen de middelmatigheid.”

Die avond bezocht ik de cursus. Er waren 26 mensen, oud en jong. Een keurig complot, koffie en een koekje, maar hier broeide iets, dat zag je zo.

Arjen van Veelen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Margriet Oostveen.

    • Arjen van Veelen