De blinde vlekken van Rutte

De Nederlandse fixatie op het begrotingstekort is veel te groot. De banken, de huizenmarkt en de pensioenen verdienen de aandacht, betoogt Bas Jacobs.

De economische staat van Nederland wordt de laatste jaren slechts afgemeten aan één criterium: de hoogte van het begrotingstekort. Zodra Nederland bij de Europese drieprocentsgrens in de buurt komt, verliezen vele media hun gezonde verstand. Sommige economen kunnen alleen nog maar wijzen op de begrotingsregels – Regel ist Regel – als economische argumenten tekortschieten. En wee degene die de Nederlandse bezuinigingsconsensus ter discussie wil stellen, zoals scheidend directeur Coen Teulings van het Centraal Planbureau (CPB). Nederland zit gevangen in een bezuinigingsframe. Dit maakt meer kapot dan ons lief is.

Uit talloze recente economische onderzoeken blijkt dat een verkleining van het begrotingstekort in tijden van financiële crises veel schadelijker is dan in normale tijden. Het IMF, de OESO en het CPB waarschuwen hier al jaren voor, zonder enig merkbaar effect op het Nederlandse begrotingsbeleid, maar wel met merkbaar effect op de Nederlandse economie, die nu voor de tweede keer sinds 2009 in recessie verkeert.

De private sector is schulden aan het afbouwen en vermogens aan het herstellen. Huishoudens hebben vermogen verloren, lossen hypotheken sneller af en kampen met restschulden. Pensioenfondsen verhogen premies en verlagen uitkeringen vanwege grote dekkingstekorten. . Uitgaven van de een zijn het inkomen van de ander. Als de overheid meer spaart, frustreert ze het balansherstel in de private sector.

Al te drieste begrotingsconsolidatie ondermijnt bovendien het herstel van de financiële sector. Door stijgende werkloosheid, dalende huizenprijzen en lagere koopkracht zullen meer huishoudens wanbetalen op (hypotheek-)leningen en gaan meer bedrijven failliet. Het gevolg is dat de kredietverlening verder wordt afgeknepen. Nuttige investeringen blijven uit. De economische groei wordt aangetast. Door snelle begrotingsconsolidatie wordt een deel van de werkloosheidsstijging structureel. Sommige gezonde bedrijven gaan onnodig over de kop. Toekomstige productiecapaciteit gaat verloren (hysterese). Dit tast ook de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn aan.

Sommige economen suggereren merkwaardigerwijze dat begrotingsconsolidatie geen effect zou hebben op de Nederlandse economie. Alle vraagdaling zou toch weglekken naar het buitenland, via lagere importen. De Nederlandse invoer bedraagt weliswaar 74 procent van het bruto binnenlands product (bbp), maar circa 46 procent van het bbp wordt weer uitgevoerd via de wederuitvoer (‘overslageffect Rotterdam’) of via de intermediaire goederen die worden verwerkt in de exporten. Daarvoor geschoond bedraagt invoer ongeveer 28 procent van het Nederlandse bbp. Niet alle bezuinigingen kunnen daarom op het buitenland worden afgewenteld.

Velen zijn bovendien bevreesd voor een verlies aan kredietwaardigheid van de Nederlandse overheid als het begrotingstekort niet nog sneller wordt weggewerkt. Ten onrechte. Door maatregelen van Rutte II slaat het houdbaarheidstekort om van 1,3 procent in een houdbaarheidsoverschot van 1,0 procent van het bbp. Het houdbaarheidstekort telt alle toekomstige begrotingstekorten op en rekent het om in een annuïtair bedrag. Bij een overschot haalt de overheid dus in de toekomst meer belasting op dan ze aan uitgaven doet. De overheidsvoorzieningen kunnen aldus tot in lengte van jaren worden gecontinueerd, zonder de belastingen te hoeven verhogen, terwijl de staatsschuldquote daalt. En dat na de grootste mondiale crisis in 80 jaar.

Daarnaast heeft Nederland veel buitenlands vermogen en een historisch groot overschot op de lopende rekening van bijna 10 procent van het bbp. Nederland is niet afhankelijk van buitenlandse financiering; het buitenland is afhankelijk van Nederlandse financiering. Paniekzaaierij over onze kredietwaardigheid is daarom uit de lucht gegrepen; er is geen probleem meer met de houdbaarheid van de Nederlandse overheidsfinanciën.

Er zijn wel twee mogelijke bedreigingen. Ten eerste de stijging van de zorguitgaven, die door het CPB stelselmatig worden onderschat in de houdbaarheidssommen. Maar de zorguitgaven zullen Nederland niet plotseling overvallen. Hervormingen in de zorg zijn noodzakelijk en vereisen – net bij als de AOW-leeftijd – enige tijd om door te voeren.

Het tweede risico is dat banken gered zouden moeten worden als het Nederlandse financiële stelsel onverhoopt weer in problemen zou komen. Om dat te voorkomen is het van groot belang het financiële stelsel te hervormen en de impliciete subsidies (banken te groot om te falen) en de expliciete subsidies (garanties of kapitaalinjecties) aan het bankwezen te verminderen, rotte bezittingen af te boeken op bankbalansen en banken te herkapitaliseren.

Nederland moet ophouden met de onzinnige gewoonte het begrotingstekort te verheffen tot het ultieme criterium van de economische toestand van het land. De Nederlandse economie kampt met twee urgente problemen: vraaguitval en financiële problemen in de private sector. Rutte II heeft, net als Rutte I, voor beide een blinde vlek.

Eenzijdige tekortreductie vergroot zowel financiële problemen als vraaguitval: stijgende werkloosheid, toenemende bedrijfsfaillissementen, dalende huizenprijzen en grotere bankproblemen. In 2012 kwam de dubbeldip mede door Rutte I. In 2013 zit de Nederlandse economie nog steeds in recessie door afspraken uit het Lenteakkoord. En het zou niet verbazen als door de maatregelen van Rutte II de recessie tot in 2014 zou aanhouden.

Rutte II heeft voornamelijk een agenda die op lange termijn het aanbod verbetert. Dat is belangrijk, maar niet urgent. Het kabinet moet zo snel mogelijk de financiële problemen oplossen met doortastend beleid bij de banken, de pensioenfondsen en de huizenmarkt. Dan hoeft ze bij onvoorziene tegenvallers niet weer op korte termijn te bezuinigingen of de lasten te verzwaren, waardoor Nederland van de dubbeldip in de tripel- of quadrupeldip zou kunnen belanden.

Bas Jacobs is hoogleraar economie en overheidsfinanciën aan de Erasmus School of Economics.