‘Afzeiken? De meeste mensen zeiken zichzelf af’ Scheppen Tekst Saskia van Loenen Foto Mark Kohn

Hoe ziet de werkplek eruit van mensen die scheppen? Wat hebben ze nodig om tot hun creaties te komen? In deze 29ste, voorlopig laatste aflevering: cabaretier en columnist Youp van ’t Hek (1954). Hij woont en werkt pal naast het Vondelpark in Amsterdam.

‘Mijn vrouw en ik wonen hier nu anderhalf jaar – geweldig, je kijkt overal op het park. Mijn werkplek is op zolder. Ik zit hier ontzettend veel. Er hangen en staan hier dingen die mij dierbaar zijn: een telegram van Toon Hermans, een voetbalschoen van Jari Litmanen, een speciaal voor mij gemaakte tekening van Peter van Straaten, het brilletje van mijn dochter. En, verkleind, alle affiches van mijn shows, vanaf 1971. Hiernaast is de logeerkamer; ik wil nog wel eens stiekem twee uurtjes slapen tussendoor. Ik werk vaak ’s nachts. Heb geen vast ritme en ga slapen als ik moet. Ik kan hier uren achter elkaar doorwerken. Maar ik zie het niet als werk. Mijn grote wens is dat ik kan doorgaan met wat ik nu doe: in het theater, en de column van NRC.

’s Morgens lees ik eerst de Volkskrant, en op internet nog andere kranten. Twitter volg ik ook. ’s Avonds lees ik NRC en Het Parool. Mijn werkkamer is in feite in mijn hoofd. Elke vrijdag schrijf ik mijn column voor NRC. Ik let vooral op het ritme – dat moet goed zijn. Vaak begin ik tien keer opnieuw met de eerste regel. Er zijn vier vaste mensen die ik opbel en aan wie ik de column voorlees. Tijdens het voorlezen hoor ik of er iets nog niet goed is. Rond half vier mail ik hem naar de krant.

Mijn huidige theatervoorstelling heet Wigwam. Tijdens de verhuizing opende ik een kast en daar lag mijn wigwam – vijftig jaar oud. Ik wist meteen dat ik daar iets mee ging doen. Zo’n wigwam wordt dan de kapstok, daaromheen ga je denken, verzinnen. Ik maak nooit aantekeningen; die grappen onthoud ik allemaal in mijn hoofd. Ik ga hier zitten en begin ze uit te schrijven. Ik verander continu dingen aan het programma; van het laatste heb ik zeventien versies. Tegen die tijd ken ik het inmiddels ook wel uit m’n kop.

Eerst lees ik de voorstelling een aantal keren voor, van papier dus, in heel kleine zaaltjes. Ik hoor het als het niet goed is – meteen. Ik zeg ook altijd aan het begin: jullie moeten goed luisteren, want het meeste wat je vanavond hoort hoor je nooit meer terug. Bij die voorleesavondjes hangt een hele leuke sfeer, je bent toch bij de geboorte van zo’n programma. Daarna de grotere theaters met de try-outs. Ton Scherpenzeel maakt de muziek, Piet Hein Eek het decor – dat steeds soberder wordt: hoe minder je invult, hoe leuker het voor het publiek is. Er staat nu dus ook geen wigwam meer op het toneel. De teksten van de liedjes schrijf ik zelf. Mijn lijflied is nog steeds Niemand weet hoe laat het is.

Als ik moet spelen gaat er een vast team van drie technici mee. De voorstelling wordt ’s middags helemaal gerepeteerd, zodat bij het opkomen het juiste lampje op de juiste plek schijnt en ik zeker weet dat alles goed gaat. Het is een soort natuurlijk proces dat je stukjes gaat vergeten tijdens het spelen. Meestal zijn dat de stukjes die je zelf eigenlijk ook niet zo leuk vond. Uiteindelijk blijft toch het beste over. Als iets niet werkt, verander ik dat meteen. Ik blijf schaven. Tot de laatste voorstelling. Inmiddels heb ik natuurlijk wel veel ervaring. Maar het gaat me niet makkelijker af – ik wil dat ook niet, dat mag niet. Mijn leven is verweven met wat ik doe. Je bént de cabaretier Youp van ’t Hek. Als ik iets in de krant lees denk ik continu: zou ik er iets mee kunnen doen.

Mijn eigen ergernis is vaak namens een heleboel mensen die er precies hetzelfde over denken. En het is natuurlijk ook gewoon leuk om met een zaal hard te lachen om al die aanstellers en idioten. Zo’n idioot als Leon de Winter die het dan op gaat nemen voor Badr Hari – toch leuk als iemand daar dan een aantal weken later op terugkomt. Als ik Jan Mulder en Maarten van Rossem voor de 91ste keer samen op tv zie, als twee muppets, denk ik: ik ben toch niet de enige die dat opvalt? Je kijkt iets wat volstrekt idioot is, Boer Zoekt Vrouw, en weet dat 4 miljoen mensen daarnaar kijken. Al schrijvend denk ik: wat is het toch raar wat we allemaal zien. Mijn hoofd is de hele dag één groot prikbord van aantekeningen. Als mensen vinden dat ik mensen aan het afzeiken ben zeg ik: de meeste mensen zeiken zichzelf af. De baas van Amarantis, die zo’n reputatiedeskundige bij zich heeft. Dat is al zo geestig. Zo’n Rijkman Groenink die 30 miljoen meeneemt; dan wil ik het volk daar best minstens twee keer per jaar aan herinneren. En Erik Staal van Vestia die nu met zijn miljoenen op Bonaire zit kan er ook op rekenen dat-ie nog even langskomt. Ik ben altijd verbaasd. Dat één mens een bakfiets neemt en dat ineens iederéén een bakfiets neemt – waarmee je de stad niet door komt.

Ik blijf ontzettend dicht bij mezelf. Ik ben ook helemaal niet gevoelig voor wat mensen van mijn column vinden. Af en toe komt er een lul naar me toe die dan zegt dat-ie iets heel erg goed vond; terwijl ik denk: maar ik bedoelde het helemaal niet zo. Of mensen die zeggen dat ze mij niet leuk vinden. En terwijl ze dat zeggen bedenk ik me dat ik zó blij ben dat die mensen mij niet leuk vinden.”