Afrika in Rotterdam

Het Wereldmuseum in Rotterdam mag zijn Afrikacollectie voorlopig niet verkopen, nu de gemeenteraad dat voornemen gisteren heeft geblokkeerd. Daarmee toonde de raad zich in meerderheid gelukkig wel gevoelig voor de vele protesten tegen dit radicale plan van directeur Stanley Bremer.

Hij wilde dat het museum zich zou concentreren op kunstvoorwerpen uit Azië en Oceanië, wat alvast de vraag opriep waarom de naam Wereldmuseum dan nog gerechtvaardigd zou zijn.

De andere musea voor volkenkunde in Europa, Afrikaanse musea, de Raad voor Cultuur en de (subsidie verlenende) Vereniging Rembrandt behoorden tot de critici, die bij Bremer geen gehoor kregen. Sterker nog, het Wereldmuseum stapte uit het samenwerkingsverband SVCN, de Stichting Volkenkundige Collectie Nederland.

Het conflict roept herinneringen op aan de positie waarin Museum Gouda (dat zich toen nog MuseumGoudA wenste te noemen) zich bevond nadat het in 2011 het schilderij The Schoolboys van Marlene Dumas met dikke winst had verkocht. Kon daarvan nog worden gezegd dat het niet echt paste in het Goudse museum, voor de Afrikacollecte in het Wereldmuseum is dat niet vol te houden. Museum Gouda dreigde even te worden geroyeerd als lid van de Nederlandse Museumvereniging, omdat het zich niet zou hebben gehouden aan de ‘LAMO’, de Leidraad Afstoting Museale Objecten. Die kent als instructie dat musea die delen van hun collectie willen afstoten, ze eerst aan andere musea moeten aanbieden, alvorens ze op veilingen aan de man mogen worden gebracht.

Toepassing van de leidraad, die recentelijk binnen de Museumvereniging is bediscussieerd, is ook nu weer aan de orde. Het probleem is dat, net als destijds in Gouda, exploitatieproblemen voor het Wereldmuseum het belangrijkste motief zijn voor de voorgenomen verkoop. Het wil zich zo losmaken van de gemeente als subsidieverstrekker. Dat is voor Rotterdam, dat stevig moet bezuinigen en een paar duizend ambtenaren moet ontslaan, aanlokkelijk.

Het uitstel waartoe de gemeenteraad niettemin besloot, heeft als voordeel dat Rotterdam nu een advies van de Raad voor Cultuur kan afwachten, dat onder meer over ‘ontzameling’ en samenwerking tussen musea zal gaan.

Vanzelfsprekend is het niet per definitie verwerpelijk als een museum een deel van zijn verzameling wil verkopen, al was het maar omdat er letterlijk en figuurlijk ruimte moet zijn voor vernieuwing. Als het louter om financiële redenen gebeurt, is het een andere zaak. Dan is de collectie het laatste wat voor bezuinigingsmaatregelen in aanmerking komt. Want dan raakt het museum aan zijn kern, aan zijn reden van bestaan.