'Onsterfelijkheid boeit me niet'

Filmlegende Bernardo Bertolucci, eregast van het IFFR, heeft na negen jaar weer een film gemaakt. „Het voelde natuurlijk om terug op de set te zijn.”

I o e te ( ‘Ik en jij’) is de eerste film van Bernardo Bertolucci in negen jaar, en zijn eerste in Italië gemaakte film in dertig jaar. De regisseur van Il conformista (1970), Last Tango in Paris (1972) en Novecento (1976) heeft noodgedwongen een lang hiaat in zijn carrière moeten laten vallen door ernstige rugproblemen, die hem uiteindelijk in een rolstoel deden belanden. „Door steeds maar te proberen beter te worden en door te veel rugoperaties, heb ik tien jaar verspild. Pas toen ik mijn toestand eindelijk accepteerde, en er niet voortdurend strijd tegen leverde, ontstond voor mij de mogelijkheid om weer een film te maken.”

Io e te, gebaseerd op een roman van Niccolò Ammaniti, gaat over de veertienjarige Lorenzo (de hevig bepukkelde Jacopo Olmo Antinori) die tegenover zijn moeder doet alsof hij met zijn klas op wintersport gaat, maar ondertussen een week in de kelder van zijn appartementengebouw verblijft. Daar krijgt hij gezelschap van zijn drugsverslaafde halfzus Olivia (Tea Falco). Zelf was Bertolucci, zoon van de beroemde Italiaanse dichter Attilio Bertolucci, geen dwarse adolescent, vertelt hij. „Ik was nooit rebels. Als ik zelf opstandig zou zijn geweest, zou ik er nu niet zo door gefascineerd zijn, denk ik. In mijn ouderlijk huis heerste een sfeer waardoor je kon bereiken wat je wilde, zonder een strijd te hoeven leveren. Als ik al opstandig was, dan alleen in mijn films.”

Dit is uw eerste film in Italië in dertig jaar. Waarom zo’n lange onderbreking?

„Ik heb lang grote problemen gehad met Italië. De politieke situatie zinde me niet. Daarom ben ik voor mijn films naar het buitenland gegaan: naar China voor The Last Emperor, naar de Sahara voor The Sheltering Sky. Ik heb altijd gedacht dat het zwakste punt van de Italiaanse film de dialogen zijn, want die zijn bijna altijd heel erg literair. Zelfs in de films van Antonioni is het zwakste onderdeel altijd de dialoog. Ik heb altijd een grote hekel gehad aan de overdreven poëtische dialogen, misschien omdat mijn vader zo’n bekende dichter was in Italië. We hebben in Italië ook geen grote traditie van toneelschrijvers. De taal is te pompeus. Dat is ook een van de redenen waarom ik in het buitenland ben gaan werken, in andere talen.”

Pier Paolo Pasolini, met wie u heeft samengewerkt, was zowel dichter als filmmaker.

„Pasolini maakte meer indruk op mij als dichter dan als filmmaker. Ik ben zijn assistent geweest bij zijn eerste film. Maar als ik denk aan mijn leermeesters in film, denk ik veel meer aan Jean-Luc Godard en aan de nouvelle vague. Het personage van Lorenzo in Io e te zou bij Pasolini wel in de smaak gevallen zijn, denk ik. Hij doet me zelfs een beetje denken aan Pasolini zelf.”

Hoe was het om terug te zijn op de filmset na zo’n lange onderbreking?

„De normaalste zaak van de wereld. Teleurstellend vanzelfsprekend. Het voelde volkomen natuurlijk om weer op de set te zijn.”

Heeft film nog steeds dezelfde betekenis als in de jaren zestig, toen u uw eerste films maakte?

„Nee, maar niets is nog hetzelfde als in de jaren zestig. De cinema is in de loop van de geschiedenis vaak van gedaante veranderd, van de stille film naar geluid, van zwart-wit naar kleur. Film is dynamisch. Elke keer waren die veranderingen in mijn ogen echte verbeteringen.”

Zou een film als Il conformista nu nog kunnen worden gemaakt?

„Ja, maar op een andere manier. Nu zou een film over fascisme meer een historisch drama zijn, toen ik de film maakte waren de gebeurtenissen nog tamelijk dichtbij. De film is gemaakt in 1969 en ging over gebeurtenissen die zo’n dertig jaar daarvoor hadden plaatsgevonden. Ik ben van 1941, toen ik een jaar of tien was hoorde ik voortdurend gesprekken om me heen over de oorlog en het verzet.”

De laatste jaren zijn op filmfestivals steeds vaker andere versies te zien van klassieke films, soms met nieuw materiaal. Vindt u dat aantrekkelijk?

„Vaak weet ik zelf helemaal niet meer wat ik nog aan extra materiaal had dat ik niet heb gebruikt. Ik heb wat extra scènes met Gérard Depardieu toegevoegd aan Novecento in een versie die enkele jaren terug is vertoond op het filmfestival van Rome. Maar dat materiaal had ik niet zelf gezocht, dat was onder mijn aandacht gebracht. Ik ben niet geobsedeerd door materiaal dat ik ooit heb weggegooid. Laat het maar liggen waar het is geland.

„Ik kan me herinneren dat ik met Il conformista naar het filmfestival van Berlijn ging in 1970 en daarna terugkwam in Italië. De distributeur zei tegen me : ‘Dat is uitstekend gegaan in Berlijn, maar laten we kijken of we de film vijf minuten korter kunnen maken.’ Ik was in zo’n goed humeur dat ik toestemde. Pas dertig jaar later kreeg ik een telefoontje uit Londen dat bij de BBC een kopie was opgedoken met de extra sequentie die in Berlijn te zien was.

„Ik moest heel lang nadenken maar toen herinnerde ik me weer de scène die ik had geschrapt: een feest waar iedereen blind is. Toen ben ik er nog eens naar gaan kijken en heb ik die scène weer toegevoegd. Maar in zijn algemeenheid vind ik het een vorm van ijdelheid om zo geobsedeerd te zijn door versies van je eigen films. Ik ben er ook niet mee bezig of mijn films me zullen overleven. De film moet overleven in de tijd dat mensen ernaar kijken. Wat er daarna gebeurt kan me niet schelen.”

U heeft als scenarioschrijver meegewerkt aan Once Upon a Time in the West van Sergio Leone. Wat was precies uw bijdrage?

„Sergio Leone was in het midden van de jaren zestig een van de weinige Italiaanse regisseurs die ik bewonderde. De Italiaanse film bestond in die tijd alleen maar uit komedies. Ik had geen werk, ik kon geen financiering vinden voor een nieuwe film, ik was volkomen blut. Op een dag werd ik gebeld door Leone.

„Ik ging naar hem toe. Hij wist dat ik bij de première in Rome was geweest van The Good, the Bad and the Ugly. Hij vroeg waarom ik daar was gekomen. Ik zei dat ik hem een van de beste regisseurs in Italië vond. Toen vroeg hij waarom ik zijn films dan zo goed vond. Ik zei vanwege de manier waarop hij het achterwerk van paarden filmde. Slechte regisseurs filmen paarden van de zijkant. Dat ziet er meteen heel mooi uit, dat is heel gemakkelijk. Maar goede regisseurs zoals John Ford en u, zei ik tegen hem, filmen paarden van achteren met hun machtige dijen. Dat is heel zeldzaam. Ik heb die baan gekregen.”

Is het moeilijker in het huidige filmklimaat om uw films gefinancierd te krijgen?

„Nee, niet echt. Als je Last Tango in Paris heb gemaakt, heb je nooit meer een financieel probleem in je leven.”

Krijgt u nog steeds royalty’s voor die film?

„Nou en of.”

Io e te is te zien op IFFR en draait vanaf 7 februari in de bioscoop.