Musea moeten samenwerken, maar hoe?

Grote musea moeten zich ontfermen over kleine, vindt de Raad voor Cultuur. Hij pleit voor verplicht samenwerken. De musea zijn daar tegen.

Ogenschijnlijk gaat het goed met de Nederlandse musea. De bezoekcijfers blijven oplopen en het ene na het andere museum heropent na verbouwingen. Maar achter de façades schuilen problemen. Vooral kleinere en middelgrote musea blijven met moeite overeind.

De Raad voor Cultuur zal eind deze maand aan minister Bussemaker (Cultuur, PvdA) advies uitbrengen over de ‘toekomst van het museale bestel’. De musea wilden hier niet op wachten. Zij stelden vorig jaar een eigen commissie in (Asscher-Vonk) die advies uitbracht. De commissie waarschuwde dat de musea door de bezuinigingen van Rijk, provincie en gemeenten „in een negatieve spiraal” terechtkomen. Ze worden bedreigd met sluiting of hebben weinig geld voor programmering, educatie en tentoonstellingen door hoge lasten voor huur, collectiebeheer en exploitatie.

De commissie had ook een oplossing: meer samenwerken. Musea kunnen facilitaire diensten delen, samen inkopen, hun administratie en beveiliging gezamenlijk regelen en depots delen. Ook kunnen ze meer objecten uit hun collecties met andere musea delen, zeker als die toch maar in depot staan. Wat bij een groot museum ligt opgeslagen, kan voor een klein museum een trekpleister zijn.

De Raad voor Cultuur zal in zijn advies dezelfde analyse maken, bleek maandag uit een toespraak van voorzitter Joop Daalmeijer in de Kunsthal. Hij zei dat grote musea (‘kernmusea’) zich over kleinere musea (‘satellieten’) moeten ontfermen. De opdeling in rijksmusea, provinciale musea en stedelijke musea komt daarmee op de helling. Want het kan goed zijn dat een rijksmuseum verantwoordelijkheid moet nemen voor kleinere, stedelijke musea, zoals het ook mogelijk kan zijn dat een groot stedelijk museum kleine rijksmusea als satellieten krijgt. Daalmeijer dringt net als de commissie aan op collectiemobiliteit. „Nu is het soms erg moeilijk of erg kostbaar voor bijvoorbeeld een regionaal museum om in het kader van een tentoonstelling over een bepaalde periode een werk uit een rijksmuseum te leen te krijgen”, zei hij. Er is een essentieel punt waarop de twee adviezen over het toekomstige museumbestel verschillen. De Raad voor Cultuur wil musea tot samenwerking dwingen. De commissie Asscher-Vonk wil dat juist voorkomen en kiest voor vrijwilligheid. In het advies van de commissie stonden tal van voorbeelden waar samenwerking al van de grond is gekomen. Zo is in 2008 in Enschede Museum TwentseWelle ontstaan uit een fusie van drie kleinere musea die anders ten onder waren gegaan. Een ander voorbeeld is het samenvoegen van werken uit de Stijl uit verschillende musea in één vleugel in het Gemeentemuseum Den Haag. Ook de samenwerking tussen het Haags Historisch Museum en de Gevangenpoort, die één museum vormen met twee locaties en ook nog samenwerken met het Mauritshuis, is een voorbeeld. „Er gebeurt al heel veel”, stelt Siebe Weide,directeur van de Nederlandse Museumvereniging.

Voor gedwongen samenwerking voelen musea niets. Rijksmuseum Volkenkunde (Leiden), het Tropenmuseum (Amsterdam) en het Afrikamuseum (Berg en Dal) werken momenteel in harmonie aan een mogelijke fusie.

Stijn Schoonderwoerd, directeur Volkenkunde, zegt: „Het is belangrijk dat er sprake is van liefde. En hoe de relatie dan vorm krijgt, verschilt van geval tot geval. De ene keer wordt het een latrelatie, de andere keer ga je samenwonen in een nieuw huis.”De noodzaak van collectie-uitwisselingen zien musea, maar ze zeggen dat het al gebeurt. Wim Pijbes, directeur van het Rijksmuseum: „Regionale musea weten heel goed de weg te vinden naar onze collectie.Elk bruikleenverzoek voor een serieuze tentoonstelling honoreren we.”

Het advies van de Raad zal zorgen voor stevige discussies en een lastige opgave voor de minister. Zij moet beslissen of ze gelooft in de zelfdiscipline van de musea of de noodzaak om samenwerking af te dwingen.