Mijn Iraanse film carrière

De correspondent van deze krant in Teheran kreeg een aanbod dat hij niet kon weigeren: een rol als journalist in een Iraanse speelfilm. Maar de censuur stak een spaak in het wiel.

oor de derde keer klop ik op de stalen poort in een steegje in Zuid-Teheran. Het is al twee keer fout gegaan. Om me heen houdt iedereen zijn adem in. Langzaam doet Nazli open. Ze kijkt me doordringend aan, er is geen ontsnappen aan haar reebruine ogen. Ik schraap mijn keel: „Ik heb je gemist”, zeg ik uiteindelijk, zo zwoel mogelijk.

Ik – de Nederlandse journalist ‘Michel’– ben net vrijgelaten uit de Evin-gevangenis waar ik vastzat omdat ik illegaal verslag had gedaan tijdens de massale protesten na de verkiezingen van 2009 in Iran. Ik heb Nazli, mijn geliefde, maanden niet gezien.

„Iek jauw oak”, antwoordt ze, in net geleerd Nederlands. Even is het stil. We kijken elkaar secondenlang intens aan. In de verte rijden auto’s voorbij, een vogel tjiept vanuit de boom in de tuin van het huis.

„Cut!” roept regisseur Mehdi Karampour. Direct komt de set tot leven, ‘Nazli’ krijgt thee aangereikt en in de verte wordt het verkeer weer doorgelaten dat moest wachten tot de scène geschoten was.

Direct ben ik weer Thomas Erdbrink, een echte Nederlandse journalist in Iran. Mijn karakter Michel is de spil waar het verhaal van de Iraanse monsterproductie The Wooden Bridge om draait. Desondank is het in de film slechts een kleine bijrol naast de Iraanse supersterren Hedieh Tehrani, die de rol van Nazli vertolkt, en haar tegenspeler Bahram Radan. Ze zijn de Angelina Jolie en Brad Pitt van Iran. Deze twee acteurs, die anders dan ‘Brangelina’ in het echte leven geen stel zijn, spelen in talloze films primair bestemd voor de lokale Iraanse markt.

Ondanks overheidscensuur en een woud aan ongeschreven regels slagen Iraanse filmmakers er telkens weer in om maatschappelijk geëngageerde producties te maken, vaak over de problemen van de stedelijke middenklasse die probeert te overleven in een religieus systeem dat weigert te veranderen. Maar makkelijk is het niet om films te maken in de islamitische republiek, waar regels voor alles zijn.

„Nee natuurlijk mag je Nazli niet in de armen vallen”, zegt regisseur Karampour lachend als ik voorstel het wederzien met mijn geliefde na talloze maanden op water en brood wat realistischer te maken. „Mannen en vrouwen mogen elkaar niet aanraken als ze ongetrouwd zijn volgens de regels in Iran, en dat jij niet met Hedieh getrouwd bent is duidelijk.”

Desondanks schudt op de set iedereen handen met elkaar, en nemen sommigen afscheid met zoenen op de wangen, maar zoals voor alles geldt in Iran: er is een groot verschil tussen wat in een kleine groep kan, en wat er publiekelijk mag worden getoond.

„Hier in Iran moet je acteren met je ogen”, vertelt Tehrani me, in vloeiend Engels. „Met één blik moet je alles zeggen, want veel meer kunnen we hier niet doen.”

Omdat er vrijwel geen buitenlanders meer zijn in Teheran, een stad van 12 miljoen mensen, was regisseur Karampour al op zoek gegaan naar een lichtgetinte Iraniër die met haarverf en kleurlenzen zou kunnen doorgaan voor Michel, de Nederlandse journalist.

Maar toen hij via via hoorde dat er een Nederlander, ook nog eens verslaggever, bij hem om de hoek woonde, nodigde Karampour me direct uit op zijn kantoor. Net twee dagen terug uit revolutionair Tripoli waar ik de val van Moammar Gaddafi had verslagen voor NRC Handelsblad, The Washington Post en de NOS, leek het me opeens de normaalste zaak van de wereld om in een Iraanse film te spelen.

Film is een van de belangrijkste onderdelen van het Iraanse culturele leven. In een land waar je officieel weinig mag zeggen, is kunst de manier om je te uiten, en film is hier geweldig populair. Iraanse filmmakers hebben zich ironisch genoeg juist door de censuur, die niet absoluut is, ontwikkeld tot meester-vertellers, die met nadruk op kleine details een groter verhaal vertellen. Andere voorbeelden zijn: je mag geen bloot laten zien, anders dan handen en gezicht. Alle actrices moeten in alle situaties hoofddoeken op, ook als ze bij de kapper zijn. Mannen mogen alleen lange broeken aan en lange mouwen. Teksten mogen niet openlijk kritisch zijn over religie en staat. Desondanks vinden filmmakers altijd ruimte om toch hun mening te geven.

Madonna

Maar de keerzijde is dat door alle regels en gevoeligheden vrijwel iedere film in Iran politiek wordt geïnterpreteerd. In elke film, volksvermaak of hogere kunst, zien het publiek en de autoriteiten wel een politieke boodschap.

Ook in het buitenland moeten Iraanse filmmakers altijd op hun tellen passen als ze willen terugkeren naar Iran. Toen regisseur Asghar Farhadi van Iraanse hit A Separation, die ook door deze krant tot beste film van 2011 werd uitgeroepen, vorig jaar uit handen van Madonna de Oscar voor de beste niet-Engelstalige film ontving, kon de regisseur haar niet op de wangen zoenen, want volgens de staatsideologie wil God niet dat hij iemand anders dan zijn eigen vrouw zoent.

Hardliners waren al boos over alle buitenlandse aandacht voor A Separation, die gaat over de kleine leugens die nodig zijn om te overleven in een maatschappij waar zowel de staat als je omgeving constant oordeelt over je gedrag. Wangzoenen met een vrouw, nota bene één die constant in een bh op het podium staat, zou zeker reden kunnen zijn om de regisseur bij thuiskomst te arresteren.

Volgens Farhadi is deze mentaliteit aan het veranderen in Iran. „Onze maatschappij is als een kind dat langzaam opgroeit”, vertelde Farhadi me in 2011. „Het gaat langzaam.”

Je ziet het terug in zijn films die altijd gaan over de nieuwe middenklasse die de Iraanse samenleving domineert. Altijd weer raken de hoofdpersonen verstrikt tussen traditionele normen en moderne wensen en verlangens.

Soms gaan filmmakers te ver volgens de Iraanse autoriteiten. Dan krijgen films geen toestemming om te worden vertoond. Bij ernstige politieke overtredingen vinden arrestaties plaats. De Iraanse film maker Jafar Panahi leeft nu al bijna twee jaar onder huisarrest omdat hij thuis een film aan het maken was over de protesten tegen de herverkiezing van president Ahmadinejad in 2009.

The Wooden Bridge die mij was omschreven als een romantische komedie, is in werkelijkheid een liefdesdrama dat alle facetten van modern Iraans leven bespreekt. Terwijl ‘ik’ in de gevangenis zit wordt mijn ‘partner’ – die terugkeert naar Iran vanuit Nederland – verliefd op haar jeugdvriend Amir. Die heeft op zijn beurt weer een vrouw die – net als vrijwel alle jonge mensen in de stad – wil emigreren.

De jeugdvriend, gespeeld door Bahram Radan, raakt in de knoop met zijn gevoelens, niet alleen over zijn relatie, maar ook over zijn land. Moet hij blijven of emigreren? Op de achtergrond horen we steeds nieuws over rellen en onrust in het land na de verkiezingen. Uiteindelijk breekt hij met zijn vrouw, in de hoop dat Nazli na mijn vrijlating bij hem in Iran zal blijven. Hij verkoopt zijn huis om mij op borgtocht uit de gevangenis te krijgen, wat leidt tot een dramatische eindscène.

Sterren dun gezaaid

In Iran, waar geestelijken en politici de staatstelevisie voor zichzelf hebben geclaimd, zijn sterren dun gezaaid. Een klein groepje acteurs dat in bijna alle films speelt is daar een uitzondering op. Dus als we ons op een koude winteravond klaarmaken voor de slotscène op Teherans Imam Khomeini Airport, staan er tientallen mensen te filmen met hun mobiel.

Hulpjes van regisseur Karampour sturen huisvaders weg die dwars door de set heen lopen, kinderen met te grote winterjassen vragen Tehrani om handtekeningen en de andere sterren verstoppen zich in de koffieshop van de luchthaven waar mensen vervolgens met open mond voor de ramen komen staan.

Dan is het tijd voor de allesbepalende keuze, kiest Nazli voor een leven met mij, ‘Michel’, in het verre Nederland, of blijft ze in Iran, bij haar jeugdliefde? In de terminal, voor de lange roltrap naar de incheckbalies, houden Nazli en ik stil. „Kijk verward”, roept Karampour naar me vanuit zijn regisseursstoel. Ik rol wat met mijn ogen, je blik is alles weet ik nu. „Cut!” roept Karampour weer. „Laat maar! Kijk maar gewoon wat voor je uit!”

Tehrani, in haar rol als Nazli, grijpt haar telefoon en vertelt haar jeugdliefde dat ze toch met mij naar Nederland wil. In tranen hangt ze op en samen stappen we op de lange roltrap die ons naar het vliegtuig gaat brengen. Nazli kijkt nog vragend achterom of hij toch niet is gekomen. „Cut!” roept Karampour vloekend als ik ook omkijk om te kijken waar Tehrani eigenlijk naar kijkt. Na nog twee keer de roltrap op staat alles erop.

Maanden later wordt de film vertoond op het Iraanse Fajr filmfestival, voor een select publiek van ambtenaren. Ik ben er niet bij want ik ben op reis, maar als ik bij terugkeer mijn perskaart op kom halen bij het ministerie van Islamitische Leiding en Cultuur springen de vrouwen in hun zwarte chadors joelend op uit hun stoelen. „Agha Thomaaas de filmster!” roepen ze. Hoe was Bahram Radan?! En ga ik nu mijn vrouw verlaten voor Hedieh Tehrani?! Ik besluit de komende tijd mijn zonnebril overal op te houden.

De roem is echter van korte duur. Andere ambtenaren van hetzelfde ministerie zijn blijkbaar minder ingenomen met The Wooden Bridge en bepalen dat de film niet mag worden vertoond. Een reden wordt niet gegeven, maar iedere verwijzing naar de verkiezingsonrust ligt nog steeds gevoelig bij de Iraanse leiders.

Misschien maar beter ook, de filmcritici in Iran vonden het bij een voorvertoning voor de pers en de ambtenaren van het ministerie van Islamitische leiding en cultuur unaniem een vreselijk slechte film. Tehrani gaat weer door naar andere opnames, en Radan vindt in werkelijkheid het antwoord op de vraag of hij moet emigreren: hij vertrekt naar Canada.

Mijn Iraanse filmcarrière ligt voorlopig stil, al oefen ik af en toe nog wel verschillende blikken voor de spiegel. Regisseur Karampour heeft nooit meer gebeld. Cut.

The Wooden Bridge is niet geselecteerd voor het Rotterdams Filmfestival, dat dit jaar extra aandacht besteedt aan de Iraanse cinema.