'Ik kneed de verf soms tot zeeschuim'

Jan Cremer schildert al jaren zeegezichten. Hij vertelt over zijn liefde voor de zee en zijn schilderijen, nu te zien in het Scheepvaartmuseum.

„Ik houd het meest van storm”, zegt schilder en schrijver Jan Cremer. „Als 17-jarige monsterde ik aan als lichtmatroos op de wilde vaart. Ik voer over de Noordzee, de Oostzee, de Finse golf, rond de Noordkaap, door de Noordelijke IJszee en de Barentszzee. We legden aan in alle grote Russische havens. Zo verdiende ik, als student aan de kunstacademie, mijn brood. Als mijn geld op was, monsterde ik weer een paar maanden aan bij de koopvaardij.”

Jan Cremer (72) exposeert vanaf morgen dertig zeegezichten in het Scheepvaartmuseum in Amsterdam. Zijn werk vertoont overeenkomsten met dat van Oscar Mendlik (1871-1963), een Nederlandse schilder van Hongaarse komaf, die zich toelegde op het schilderen van de zee, de lucht, soms het strand of een rots. Alles behalve boten. Zijn schilderij, in een zaal vol schilderijen met zeeslagen, toont enkel het water.

Ook Cremer heeft Hongaarse wortels en schildert nu al een jaar of acht uitsluitend zeegezichten. Maar bij Cremer heeft de zee een heel ander gezicht. Waar bij Mendlik het wateroppervlak spiegelglad is of de golven kabbelen, spat bij Cremer het schuim alle kanten op.

Tegenwoordig resideert Jan Cremer in Italië, in Umbrië, als hij niet in New York of Amsterdam is. Daar, in zijn Italiaanse atelier, schildert hij de zeelandschappen die hij zich herinnert. „Vroeger, in New York, midden tussen de wolkenkrabbers, schilderde ik de Hollandse tulpenvelden”, vertelt Cremer in het Scheepvaartmuseum. „Nu schilder ik in de Italiaanse heuvels de noordelijke zeeën.”

Toch put hij niet alleen uit zijn herinneringen. Sahara Storm (2012), zijn recentste werk, laat boven de zee het rode woestijnzand zien dat over Umbrië waait.

En in Montauk Sunrise (2010) heeft hij de weerspiegeling van de zon in het water bij Long Island geschilderd. Ook heeft hij zich laten inspireren door het impressionisme van Claude Monet (1840-1926).

„Monet zoomde in op zijn vijver in Giverny, waardoor de voorstelling uiteenviel in abstracte patronen. Dat heb ik ook gedaan in Monets Ocean, Silent Sea en Montauk Sunrise.”

Cremer schilderde de dertig zeegezichten tussen 2005 en 2012. De helft van deze zeegezichten was nog niet eerder in Nederland te zien. Willem Bijleveld, directeur van het Scheepvaartmuseum dat vorig jaar heropende na een ingrijpende verbouwing, is vooral gefascineerd door het tweeluik Noordkaap (2010). „Je ziet de kracht van het water, de onherbergzaamheid van het gebied. Het is een oer-thema.”

Jan Cremer, die eind jaren vijftig opzien baarde met zijn ‘peinture barbarisme’ (en in 1964 met zijn boek Ik Jan Cremer) brengt zijn zelfgemaakte olieverf nog steeds in dikke lagen en klodders op zijn doeken aan.

„Die verf droogt nooit helemaal op”, zegt hij. „Ik heb een paar jaar geleden een doek van mezelf uit de jaren vijftig teruggekocht op een veiling. Thuis stak ik er een naald in om te zien of de verf nog nat was. En ja hoor.”

Hij gebruikt kwasten, spatels en ander gereedschap, maar ook zijn handen om de juiste structuur aan te brengen en de golven en schuimkoppen driedimensionaal tot leven te wekken.

Soms brengt hij op het linnen eerst een stuk jute aan. „De kleur van jute lijkt precies op de kleur van een zandstrand”, zegt hij.

Bijna nergens op zijn schilderijen is menselijk leven te bespeuren. Alleen in Kielzog (2005) heeft de mens een diepblauw, glanzend spoor achtergelaten in het water. Is het olie?

Cremer wil het niet al te precies voor de kijker invullen, zegt hij. Dat geldt ook voor Odyssey (2009), waarop zich de contouren van een rustende mens lijken af te tekenen

„Als het te veel gaat lijken op een mens of een boot, werk ik het weer weg, want dat verstoort het zeelandschap.”

Tentoonstelling ‘Cremer, schilder van de zee’ in Scheepvaartmuseum, Amsterdam. T/m 7 april. Informatie: www.hetscheepvaartmuseum.nl

    • Claudia Kammer