Column

Het geheim van het leven

Cambridge, bijna zestig jaar geleden. Op een koude wintermorgen legden twee jonge onderzoekers de laatste hand aan een kartonnen model van een ingewikkeld molecuul. Het zou de meest beroemde chemische structuur ooit worden, de elegante dubbele helix, die gedraaide ladder verbonden door baseparen, desoxyribonucleïnezuur, beter bekend als het DNA. Anderhalf jaar monomaan werken en een grote dosis intuïtie hadden eindelijk resultaat. James Watson en Francis Crick zouden eeuwige roem oogsten. Volgens de overleving rende Crick die middag de plaatselijke pub binnen om tot de verzamelde gasten te roepen: „We hebben eindelijk het geheim van het leven gevonden.”

Een paar maanden later verscheen hun zeer korte publicatie in Nature. De conclusie is een wonder van understatement: „Het is ons niet ontgaan dat de specifieke gepaarde structuur onmiddellijk een mogelijk mechanisme suggereert voor het kopiëren van genetisch materiaal.” 1953 was een wonderbaarlijk vruchtbaar jaar voor de genetica, waarin in een paar maanden tijd de ene na de andere publicatie in Nature steeds meer bewijs aandroeg voor de aard en het functioneren van het DNA. Watson en Crick stonden op de schouders van anderen, niet in de laatste plaats de jonggestorven kristallografe Rosalind Franklin. Hun briljante vondst was dat zij alle losse informatie aan elkaar pasten. Eindelijk kreeg het gen, al eerder bekend als de kleinste eenheid van genetische informatie, een gezicht.

De betekenis van deze vondst blijft verbijsterend. Kennis van hoe genetische informatie overgedragen wordt, heeft geleid tot een genetische revolutie waarvan ook nu het einde geenszins in zicht is. Niet alleen weten we veel beter hoe erfelijkheid en evolutie werken, maar ook hoe in die processen ingegrepen kan worden. Op allerlei terreinen, van medische wetenschap, nieuwe materialen, energie tot landbouw, voedsel en milieu, zijn de consequenties baanbrekend. De universaliteit van het DNA betekent dat genetische informatie kan worden overgedragen tussen alle mogelijke soorten, dus ook tussen bacteriën en planten of dieren, en opent de weg tot ingrijpen in de evolutie van andere soorten op een manier die voordien onmogelijk was. Dertig jaar na Watson en Crick werd de eerste genetische modificatie van een plant – dankzij een stukje bacterie – een feit.

Niet alleen beschikken we nu over nieuwe technieken in de plantenveredeling en de medische diagnostiek, ook ons wereldbeeld is radicaal veranderd. Oude denkbeelden zijn overhoop gehaald. Huidskleur en verschillen tussen rassen blijken bijvoorbeeld een onbelangrijk en recent verschijnsel in de menselijke evolutie. Vele van onze eigenschappen en het risico op sommige ziekten zijn mede genetisch bepaald, waarmee preventief screenen binnen handbereik is gekomen. Die mogelijkheid roept echter grote vragen op over discriminatie en voorkennis. Moeten dragers van een levensbedreigend gen daarvan op de hoogte gesteld worden? Mag de verzekering of de werkgever dit weten? Mogen zij kinderen krijgen? Om maar te zwijgen van de mogelijkheid tot klonen die de ontdekking van stamcellen ons (en onze huisdieren en andere soorten) geeft.

Maar misschien is het belangrijkste effect van de ontdekking van het DNA de relativering van ons eigen bestaan. De mens is definitief van zijn voetstuk gevallen als kroon op de schepping. Het bepalen van de volgorde van het menselijk genoom heeft ons tegelijk meer tot een uniek individu gemaakt, maar ook haarscherp onze zeer nauwe verwantschap met andere soorten vastgelegd. Sinds 1953 kunnen we eigenlijk niet meer praten over wat normaal is. Het is tegelijk duidelijk geworden dat er niet zoiets bestaat als een normaal menselijk genoom. Variatie is de norm, zo blijkt uit het Human Genome Project.

Dit soort inzichten wordt terecht als hemelschokkend ervaren. Toch is er geen reden om te verwachten dat kennis van de genetica leidt tot extreem determinisme, dat ons lot bepaald wordt door onze genen. Daarvoor zijn omgevingsfactoren veel te belangrijk.

Het is ironisch dat vandaag de dag juist die angst te vinden is in de samenlevingen die het meest geprofiteerd hebben van de genetische vooruitgang. Dit geldt met name voor Europa. Daarmee blijven wij niet alleen achter bij andere landen, maar missen we ook de kans bij te dragen aan de noodzakelijke internationale afspraken over de veiligheid van genetisch onderzoek en de toepassingen ervan.

De kloof tussen wetenschap en samenleving is niet van gisteren. De wetenschap heeft zeker bijgedragen aan het onbegrip, door te weinig communicatie (of juist te veel), door te snel en te enthousiast naar buiten te komen met resultaten. Hoewel er hier en daar wel iets van een dialoog is ontstaan, zou het passend zijn als overheid, wetenschap en bedrijfsleven samen met burgers in het jaar 2013 die fascinerende wereld van het DNA zouden verkennen. Want over het geheim van het leven kunnen we ons niet genoeg verwonderen.

Louise O. Fresco is is universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, bestuurder en schrijfster.