Haal je niks in je hoofd, televisie

Een televisieserie boeit me nooit langer dan een seizoen. Gekunstelde cliffhangers, personages die zichzelf continu herhalen, de groeiende ballast aan subplots, achtergronden en bijpersonen die de tv-serie als klimop overwoekeren en ten slotte onbegrijpelijk maken voor nieuwkomers.

Ik heb het echt geprobeerd: met The Sopranos, 24, Lost, Mad Men, Six Feet Under, Boardwalk Empire, The Killing, Breaking BadThe Walking Dead zelfs. Allemaal na een half of één seizoen opgegeven, toen ik het gevoel kreeg dat al die ‘verrassende ontwikkelingen’ vooral bedoeld waren om mij nog wat afleveringen aan de beeldbuis te kluisteren. Televisieseries. Nooit een bevredigende catharsis, zoals film biedt. Wel seizoen na seizoen onafgebroken masturbatie zonder uitzicht op orgasme.

Nu weet iedereen diep in zijn hart wel dat televisie inferieur is. Zeker filmcritici hadden daar tot voor kort geen enkele twijfel over. Televisie trok dan sinds begin jaren vijftig de filmpaleizen leeg, zo’n gruizig zwart-witschermpje leverde nooit de overrompelende ervaring op van het witte doek. Series? Goedkoop studiowerk, gefilmd zonder diepte, maar met eindeloze close-ups en oeverloos gezwets.

Nee, dan Cinema, met hoofdletter C! Dat kon kunst zijn, niet louter info- en entertainment. Zo diep was de weerzin vroeger voor televisie, dat filmcritica Pauline Kael de briljante regisseur Sidney Lumet nooit vergaf dat hij voor televisie had gewerkt. Wie zijn ziel aan de duivel had verkocht, kreeg hem nooit meer terug.

Eigenlijk werd de inferioriteit van televisie ook nooit echt bedreigd, tot vrij recent. Toen plasmaschermen, beamers, HBO en HDTV de ‘huiskamerbioscoop’ brachten die – heel in de verte – de ervaring van het witte doek benaderde. Tegelijk leverde de financiële krapte na de kredietcrisis veilige en domme bioscoopfilms op. De vele regisseurs en acteurs die noodgedwongen hun toevlucht zochten bij televisie, spraken zichzelf moed in. Het beeldscherm is de toekomst! Alleen televisie biedt ruimte voor karakterontwikkeling!

Maar hoe monsterlijk groot en scherp het beeldscherm ook wordt, niks ervaart de gezamenlijke en dwingende ervaring van de bioscoop. Dat dwingende is essentieel. Geen afleiding, geen huisdier, tablet, krant, smartphone of rewindknop. In de filmtheorie is wel gesteld dat het verschil tussen bioscoop en televisie die tussen gaze en glance is. De bioscoop is het domein van de ‘gaze’, een geconcentreerde blik die kan escaleren tot hypnose. Televisie is het domein van de luie, terloopse ‘glance’.

Zo is het. Haal je maar niks in je hoofd, televisie. Je bent tweederangs, je blijft tweederangs. Nooit zullen ze zo liefdevol en intens naar je kijken als naar het witte doek.

    • Coen van Zwol