De vader die glorieus faalde

Bernardo Bertolucci schreef grote films op zijn naam. Maar wie hem bleef volgen, werd ook regelmatig teleurgesteld.

Hij is een van de grote ‘auteurs’ van de Europese cinema in de twintigste eeuw, maker van onvergetelijke, eigenzinnige films als Il Conformista, Last Tango in Paris, Novecento en The Last Emperor. Toch schuilt er iets pijnlijks in de carrière van Bernardo Bertolucci (72), die na bijna tien jaar stilte een nieuwe film heeft gemaakt, Io e te (‘Ik en jij’) . Wanneer je, zoals ik, zijn uit 1970 daterende Il Conformista als de beste film aller tijden beschouwt, moet je constateren dat het sindsdien met Bertolucci bergafwaarts is gegaan, vooral sinds The Last Emperor, uit 1987.

De val van een idool uit je jeugd is als het verraad van een vader: eerst aankondigen dat het leven groots wordt en vervolgens als voorbeeld versagen. Niet dat deze filmvader de grote thema’s uit Il Conformista later ontrouw is geworden. De radeloosheid die een man bevangt in het web van vader, moeder, familie en geschiedenis, de neiging om door hopeloze daden of ideologie de gekte des levens te compenseren – ze keren in bijna elke film terug, en maken van zijn slechtste films nog een interessante mislukking. Toch blijft het pijnlijk je vader te zien falen.

Bertolucci groeide op in Parma en Rome. Zijn vader was een bekend Italiaans dichter. De liefde voor film deed hij, tijdens een studieverblijf in Parijs, op als 19-jarige in de Cinémathèque van directeur Henri Langlois. Terug in Italië werd Bertolucci eerst regieassistent bij zijn jeugdvriend Pasolini en maakte daarna eigen films. Prima della Rivoluzione (‘Vóór de revolutie’), uit 1964, laat zien hoezeer hij onder invloed stond van zijn Franse generatiegenoot Jean-Luc Godard, en de informele stijl van de nouvelle vague. Esthetisch en inhoudelijk is dit jeugdwerk al een echte Bertolucci. Er is breed uitgesponnen aandacht voor de omgeving van de personages, de kamers, de straten en hoe zij zich van de ene naar de andere locatie bewegen. De centrale levensvraag van de mannelijke hoofdpersoon is of hij, als zoon van de bourgeoisie, aansluiting kan vinden bij de vitaliteit en het historisch gelijk van de Italiaanse arbeidersklasse, als belichaamd door de Italiaanse communistische partij. Hij faalt.

In Il Conformista (‘De conformist’, 1970), vrij naar een roman van Alberto Moravia, speelt Jean-Louis Trintignant een man in het Italië van Mussolini. Zijn vader zit in het gekkenhuis, zijn moeder is een decadente oude dame, en zelf denkt hij als kind een man te hebben vermoord tijdens een homo-erotische ontmoeting waarover hij zich schuldig voelt. Compensatie en bevrijding zoekt de man in het stellen van daden: hij sluit zich aan bij de fascisten en neemt de opdracht aan zijn voormalige leermeester, een linkse professor die in ballingschap in Parijs woont, te liquideren. Hij faalt. Het leven brengt hem van de wijs. Hij durft niet te schieten. De epiloog van de film toont hem als onbetekenend, wraakzuchtig burgermannetje.

Il Conformista is een meesterwerk. De camera, in handen van Bertolucci’s vaste man Vittorio Storaro, evoceert indrukwekkend het Italiaans fascisme en het Parijs van de jaren dertig. De impressionistische vertelstructuur laat ruimte voor talloze interpretaties, zowel psychologische als politieke.

Bertolucci’s eerste wereldwijde publiekssucces volgde twee jaar later: Last Tango in Paris. Marlon Brando speelt een man die in een onttakeld Parijs appartement een zuiver seksuele relatie onderhoudt met een jonge vrouw. Voor onze hedendaagse ogen, gewend aan de alomtegenwoordigheid van contextloze seks in porno, maakt de seks in de film minder indruk dan in 1972. Last Tango in Paris is veel minder gelaagd dan Il Conformista. Op een andere manier geldt dat ook voor Novecento (‘1900’) uit 1976. Dit vijf uur durend, met internationale sterren bezette epos behelst de parallelle lotgevallen van landeigenaren en proletariërs op het Italiaanse platteland. De schematische sociaal-realistische verteltrant, en vulgair-marxistische strekking werken anno 2013 erg gedateerd.

Na Il Conformista wilde Bertolucci films voor een breed publiek maken. Hollywoods filminvesteerders stelden dit talent graag fondsen ter beschikking maar kwamen keer op keer van een koude kermis thuis. Tegen de wil van de regisseur werd Novecento in de Verenigde Staten tot drie uur teruggebracht, en vervolgens nauwelijks uitgebracht. Pas elf jaar later kreeg Bertolucci weer geld bijeen voor een omvangrijk project: The Last Emperor (1987), grotendeels opgenomen in de Verboden Stad in Beijing. In grote stijl vertelt hij het verhaal van de laatste keizer van China, die na een machtsgreep zijn staatkundige macht verliest, keizer-marionet wordt van het door de Japanners bezette Mantsjoerije, na de oorlog in een communistisch heropvoedingskamp belandt, en eindigt als tuinman in de Verboden Stad waar hij eens keizer was. The Last Emperor is Bertolucci’s laatste echt goede film. Wie hem nu ziet, moet bedenken dat anno 1987 Chinese films het Westen nog niet bereikten.

Gesterkt door dit succes zocht Bertolucci zijn heil in exotische onderwerpen. The Sheltering Sky uit 1990, naar een roman van Paul Bowles, ging nog. Little Buddha uit 1993, waarin een Amerikaans jongetje voorbestemd is om religieus leider van Tibet te worden, is een modieus gedrocht. Het onbeduidende The dreamers uit 2003 lijkt bijna een pastiche op zijn oude werk: een overmaat aan politieke en culturele verwijzingen, familieproblemen en expliciete seks.

Natuurlijk heeft deze vader van de Europese cinema veel om trots op te zijn. Hij heeft altijd zijn zelfstandigheid weten te bewaren en is niet, zoals zoveel andere regisseurs, geweken voor de macht van het geld en bewust middelmatige onbenulligheid gaan maken. Hij kan trots zijn op zijn mislukkingen, want hij maakte ze zelf. En in zekere zin delven vaders natuurlijk altijd het onderspit: ze worden oud en gaan straks dood. Ik weet het wel. Maar Io e te heb ik nog niet durven zien. De kans dat het een treurige avond wordt, is me te groot.