'Blokkades tegen windmolens? Daar is de nood te hoog voor'

Henk Kamp is alweer aan zijn vierde minister- schap toe, dit keer op Economische Zaken. „Als VVD’er mag ik er toch wel voor zorgen de kosten van windmolens zo laag mogelijk te houden?”

DEN HAAG - Minister Kamp van Economische Zaken. ILVY NJIOKIKTJIEN ILVY NJIOKIKTJIEN

Henk Kamp heeft geen enkele moeite met zijn nieuwe rol als pleitbezorger van windenergie. De minister van Economische Zaken vertrekt geen spier als hij wordt geconfronteerd met de bekende uitspraak van zijn partijleider en premier Mark Rutte. „Windmolens draaien niet op wind, maar op subsidie”, zei Rutte in de verkiezingscampagne van 2010.

„Er is intussen weer veel gebeurd”, zegt Kamp onverstoorbaar. „De gevolgen van de uitstoot van CO2 voor ons klimaat en ook de grote afhankelijkheid van fossiele brandstoffen hebben bij de coalitie tot een nieuwe inschatting geleid. Het is noodzakelijk om tot een andere energiemix te komen.”

En zeg niet tegen de minister dat de lobby van de PvdA de VVD’ers blijkbaar over de streep heeft getrokken. Kamp kent als een van de grondleggers van het kabinet-Rutte II de feiten. „In het verkiezingsprogramma van de VVD staat dat in 2020 14 procent van de energie duurzaam moet worden opgewekt. De PvdA was voor 18 procent en men is op 16 procent uitgekomen.” Op dit moment wordt nog maar 4 procent van de totale energiebehoefte duurzaam opgewekt.

Om aan een verviervoudiging in zeven jaar te komen moeten op grote schaal nieuwe windmolens worden neergezet. Eenderde van de duurzame energie zou volgens de planning uit windenergie komen, maar de weerstand tegen molens op land groeit. En de kosten van molens buiten de territoriale wateren (ruim 22 kilometer uit de kust) zijn veel hoger. Dichter bij de kust mag nu niet.

De Tweede Kamer, die deze week de begroting van Economische Zaken behandelt, is echter in meerderheid voor een onderzoek of die molens niet dichter in de buurt van het strand gebouwd kunnen worden, zoals voor de kust van Egmond. Op tien kilometer, dus zichtbaar vanaf ligbed of strandtent. Dat ligt gevoelig, met name bij de kustplaatsen die nu nog veel plannen weten te blokkeren. „Onze ambitie is fors, de situatie is er niet naar om blokkades op te werpen”, zegt Kamp.

Bent u voor een onderzoek naar molenparken aan de kust, zoals de Tweede Kamer nu vraagt?

„Ja, en daar ben ik zelfs al mee bezig. Molens bij de kust zijn goedkoper en dat maakt het een hele reële optie. We moeten zien wat verantwoord is. Nu zijn de opvattingen verdeeld. Sommigen vinden ze mooi, anderen vinden ze lelijk. Dat is een subjectief oordeel. En je moet bedenken dat je die molens niet het hele jaar ziet, maar vooral in de zomer. Veel hangt af van het zorgvuldig kiezen van een locatie.”

Toch zijn veel mensen faliekant tegen deze ‘horizonvervuiling’.

„Je zal zeker mensen houden die er tegen blijven. Dat is natuurlijk met elk initiatief dat voor een kleine groep mensen grote gevolgen heeft. Mensen aan de kust zullen kritischer zijn dan mensen aan de Duitse grens. Maar die komen die molens weer tegen als ze Noordrijn-Westfalen inrijden. Uiteindelijk willen we allemaal ons huis verwarmen en in een auto kunnen blijven rijden. En als VVD’er mag ik er toch wel voor zorgen de kosten van die molens zo laag mogelijk te houden?”

Waarom is die discussie over duurzaamheid opeens zo belangrijk? In het vorige kabinet speelde dat niet. Economische Zaken schroefde de subsidie voor windenergie vorige maand op van 1,7 naar 3 miljard euro.

„Het gaat om het verminderen van de CO2-uitstoot en minder afhankelijkheid van fossiele bronnen. Daar komt bij dat voor de overgang naar meer duurzame energie innovatie nodig is, wat kansen biedt voor het Nederlandse bedrijfsleven. Vorig jaar is in die sector de werkgelegenheid met 4 procent gegroeid.”

De Nederlandse economie kan dat goed gebruiken. Ziet u nog andere mogelijkheden?

„We moeten ons sowieso niet in de put laten praten. De productiviteit is hoog, de werkloosheid relatief laag. We hebben een sterke concurrentiepositie, een fijn leefklimaat en een integere overheid. Mede door Schiphol en de Rotterdamse haven hebben we hierdoor bijna een unieke positie in de wereld.”

„Een van de kansen die we moeten benutten is het aantrekken van buitenlandse bedrijven. Die vormen nu nog maar 1 procent van het totaal aan bedrijven in Nederland, maar ze zorgen wel voor 800.000 banen en zijn goed voor eenderde van het totaal aan investeringen in onderzoek en ontwikkeling.”

U noemt alle sterke punten, maar in Europa presteren we ondermaats. De Nederlandse economie krimpt weer. Hoe kan dat?

„Dat komt vooral door het achterblijven van de binnenlandse bestedingen. Dat is weer een gevolg van de achterblijvende koopkracht die onder druk staat door lastenverzwaringen van de overheid en lonen die achterblijven bij de inflatie. En door de terugval op de huizenmarkt. Zolang de prijzen stegen, konden mensen meer consumeren als zij hun woning verkochten of een hogere hypotheek namen. Dat is nu voorbij.”

Is dan de conclusie dat de overheid in andere Europese landen beter op de kosten heeft gelet en een beter beleid op de woningmarkt heeft gevoerd?

„Dat durf ik niet te zeggen. Er is, behalve een enkele stadsstaat, geen land dat zo dicht bevolkt is als Nederland en dat brengt specifieke eigenschappen van de huizenmarkt met zich mee. Schaarste heeft een belangrijke invloed. Ik weet niet of je daarvan iemand de schuld kan geven. Het zijn wijsheden achteraf om te zeggen dat we op te grote voet hebben geleefd. Na 2008 is een overheidsoverschot omgeslagen in een fors tekort. En sinds begin deze eeuw is de staatsschuld verdubbeld. Nu zijn we gedwongen de andere kant op te gaan en moet de overheid zeggen dat er geen geld meer is.”

En dus moet er flink gesaneerd worden, tot 2017 voor maar liefst 45 miljard euro aan bezuinigingen en lastenverzwaringen. Dat is 8 procent van de Nederlandse economie. Het Internationaal Monetair Fonds constateerde onlangs dat bezuinigen in crisistijd de economie harder raakt dan gedacht. Is dat geen reden om nog eens kritisch naar die bezuinigingen te kijken?

„Die bezuinigingen doen pijn. Die extra 16 miljard euro die door dit kabinet wordt bezuinigd is ook nog een reuze-opgave. Dat realiseer ik me. Maar we komen in grotere problemen als we het niet doen. De overheid kan nu nog lenen voor soms nul procent rente, maar wat gebeurt er als die rente stijgt? Dan loopt de staatsschuld alleen maar verder op.”

„We gaven vorig jaar 23 miljard euro méér uit dan er binnenkwam. Dat kan zo niet langer doorgaan, hebben we bij de vorming van het nieuwe kabinet geconcludeerd. Bovendien bestaan er structurele onevenwichtigheden, in de zorg en op de woning- en de arbeidsmarkt. Die onevenwichtigheden worden nu aangepakt. En ten derde vinden we dat het verdienvermogen van Nederland omhoog moet. Daar ligt met name een taak voor Economische Zaken.”

In 2010 moest Economische Zaken „de crisismanager” zijn. Daar zien we niet veel van terug.

„Integendeel. Dit ministerie heeft een indrukwekkende rol gespeeld en doet dat nog steeds. Bijvoorbeeld in het stimuleren van de kredietverlening voor kleine tot grote bedrijven. En we komen dit voorjaar met een landelijk techniekpact met bedrijfsleven en onderwijsinstellingen. Grootste probleem voor ondernemers is momenteel dat hun vacatures niet vervuld kunnen worden. In 2016 staan er bij ongewijzigd beleid vermoedelijk 150.000 vacatures open voor mensen met een technische achtergrond.”

„En ook de ambitie om de regeldruk te verminderen is groot. Tot 2017 willen we voor 2,5 miljard euro de lastendruk verminderen. Regels die onnodig belemmerend werken moeten weg. Daarmee wil ik overigens niet zeggen dat alle regels slecht zijn. Hoe we het precies gaan doen, maken we dit voorjaar bekend.”

Export is Nederlands belangrijkste groeimotor. Spijt het u niet dat buitenlandse handel in dit kabinet naar het ministerie van Buitenlandse Zaken is gegaan?

„Ik vind het heel goed dat ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse handel nu gekoppeld zijn. We hebben ontwikkelingslanden niet alleen hulp te bieden, maar ook de power van de Nederlandse bedrijven. Ik respecteer de keuze waarbij buitenlandse handel naar Buitenlandse Zaken is gegaan. Het zou onevenwichtig zijn geweest als er één bewindsman op Buitenlandse Zaken was gekomen en twee ministers en een staatssecretaris op Economische Zaken.’’