Bevroren water

Vrijdagavond loop ik met twee vrienden door de lichte vrieskou naar het theater. We grappen dat je, nu het weer wat kouder wordt, kunt rekenen op wild speculerende ijsspecialisten en de daarbij horende Elfstedengekte.

Maandag lees ik dat de eerste marathon op natuurijs al wordt georganiseerd. Ik kan niet schaatsen. Dat vind ik een beetje genant. Want wees nu eens eerlijk: dertig jaar oud, al mijn hele leven maak ik Hollandse winters mee, maar ik heb nog nooit even een lekker dagtochtje over een bevroren natuurplas gemaakt.

De reden dat ik niet kan schaatsen is simpel: ik ben lange tijd behoorlijk bang geweest voor water, ook water waar ijs op lag. Wanneer je, zoals ik, in de jaren 80, tot en met groep vijf op een zwarte school hebt gezeten, krijg je dat. Mijn hele klas was collectief bang voor water. Schoolzwemmen was een groot griezelavontuur: in de bus naar het zwembad zwegen we nog, in de kleedhokjes maakten we elkaar helemaal gek met verhalen over neefjes en nichtjes die in het pierebadje waar wij even later zwemles zouden krijgen aan de verdrinkingsdood waren ontkomen. Als de sloten in de winter bevroren, lieten we ons ook niet voor de gek houden: bevroren water was nog steeds water.

Op de wittere school waar ik daarna terechtkwam, ging het er anders aan toe. Daar werd niet alleen vrolijk in het diepe bad gezwommen (ik was de enige in mijn klas die niet kon zwemmen, o de horror, geloof me, slapeloze nachten, werkelijk alles), de ijzers onderbinden was daar ook nog eens vast onderdeel van het winterseizoen. Ik heb me er uiteindelijk een keer aan gewaagd en zakte toen spontaan door het ijs. Het bleef daarna bij warme chocomel drinken.

Later schaatsten klasgenoten ’s winters op een Zutphense vijver achter onze middelbare school, ik rookte mijn eerste sigaretten en zwaaide dan naar ze vanaf de kant. Op zo’n dag kwam onze leraar gymnastiek naast me staan en samen keken we naar dit Hollandse tafereel. Na een stilte vroeg hij me waarom ik niet even een rondje schaatste. Ik draaide om de hete brij heen, maar bekende uiteindelijk dat ik het niet kon. Hij vond dat ik het moest leren. Zijn pleidooi maakte toen geen indruk, maar ik herinner me tot op de dag van vandaag zijn laatste argument. „Als je het nu leert, en je zet door, dan word je zo kampioen van Turkije!”

    • Sadettin Kirmiziyüz