Algerije wil het Malinese geweld niet importeren

De regionale mogendheid Algerije heeft praktische en principiële redenen om zich militair afzijdig te houden van de crisis in het buurland Mali.

Frankrijk heeft de strijd aangebonden tegen de extremistische rebellen in Mali, zeven Afrikaanse landen sturen troepen. Maar Algerije, het regionale zwaargewicht dat 2.000 kilometer grens met Mali deelt, neemt tot dusverre een zeer passieve houding in.

De Franse minister van Buitenlandse Zaken Laurent Fabius trad op als Algerijnse regeringswoordvoerder toen hij bekendmaakte dat Algiers zijn luchtruim had opengesteld voor Franse vliegtuigen. Algerije zelf deelde alleen zuinigjes mee altijd bereid te zijn het „broederland” Mali te helpen „de problemen te overwinnen waarmee het wordt geconfronteerd”. Geen woord over zijn luchtruim, laat staan over eventuele militaire hulp. Toch heeft Algerije het grootste defensiebudget van Afrika met ruim 10 miljard dollar.

Een praktische reden voor president Bouteflika om zich militair rustig te houden is dat hij koste wat kost een gewelddadige reactie wil voorkomen van de met de Malinese rebellen verbonden extremistengroep Al-Qaeda-in-de-Islamitische-Maghreb. Deze kwam in 2006 voort uit de Algerijnse Salafistische Groep voor Prediking en Strijd, die weer een overblijfsel was van de bloedige moslimextremistische opstand in Algerije in de jaren negentig (200.000 tot 300.000 doden).

In Algerije is niemand de gruwelijkheden van die tijd vergeten. Geen Algerijn wil een terugkeer van het geweld – een reden ook waarom de Arabische opstanden in Algerije weinig respons hebben gekregen bij de bevolking. Ook al lijdt Algerije verder onder dezelfde problemen als de buurlanden waar wel is gedemonstreerd: repressie, corruptie en een grote jeugdwerkloosheid.

Maar er zit ook een principiële reden achter de Algerijnse militaire afzijdigheid. De grondwet verbiedt de strijdkrachten deel te nemen aan militaire actie buiten het Algerijnse grondgebied. Dat is gebaseerd op het in beton gegoten uitgangspunt van niet-inmenging in andere staten. Ten aanzien van Mali is dit principe vertaald in inspanningen om een politieke oplossing voor het conflict te bereiken.

Algerije is daarom ook tegen de door de Verenigde Naties vastgelegde doctrine van humanitaire interventie, en het was in dit verband fel gekant tegen de internationale luchtsteun voor de opstand tegen het regime van de Libische leider Moammar Gaddafi. Libische rebellen beschuldigden de Algerijnse autoriteiten er zelfs herhaaldelijk van Gaddafi te steunen; inderdaad hebben ze de weduwe en een aantal kinderen van de uiteindelijk gelynchte Libische leider onderdak geboden.

Nog voor de Libische rebellen Gaddafi’s regime ten val brachten, waarschuwde Algerije al dat grote hoeveelheden wapens uit Gaddafi’s arsenalen de grens over werden gesmokkeld. Die wapenstroom en de terugkeer van Gaddafi’s Toeareg-strijders naar Mali hebben de Sahel fataal gedestabiliseerd. Libië zelf is zeer fragiel. Algerije leeft nu in een zeer gevaarlijke omgeving.

Het bejaarde leiderschap in Algerije (Bouteflika is 75) is er bovendien van overtuigd dat een gewapende oplossing voor de crisis in Mali niet mogelijk is. Dat is reden temeer om zich heel rustig te houden.