Wat is de toekomst van de drieste fusies?

Big was gisteren niet beautiful. De overname van TNT Express door concurrent UPS is passé. Het is een teken aan de wand: overrompelende fusies van bedrijven die alleen maar groter willen worden hebben om twee redenen een povere toekomst.

Eerst even een blik over het kerkhof van recent geblokkeerde fusies en overnames. De Britse defensietoeleverancier BAE dacht vorig jaar te fuseren met EADS, de moedermaatschappij van Airbus. Dat ging niet door. Evenals de fusie van de twee beurzen NYSE Euronext en Deutsche Börse. Eind 2011 mislukte de fusie van de Deense ISS en de Britse G4S tot de op een na grootste mondiale werkgever in diensten als schoonmaak en beveiliging.

En wie het wapengekletter hoort rond de bijgestelde, door beleggers bevochten, maar uiteindelijk volvoerde fusie van de mijnbouwbedrijven Xstrata en Glencore ziet nog weinig zakelijke synergie.

Natuurlijk, fusies in kapitaalintensieve bedrijfstakken (energie, staal, farma) blijven bestaan, al was het maar omdat de gemiddelde baas van een succesvol bedrijf zijn eigen capaciteiten weleens overschat. En omdat genoeg zakenbanken en andere adviseurs lekker geld verdienen aan schaalvergroting en hameren op nut en noodzaak daarvan.

Maar twee tegenkrachten winnen aan invloed. De eerste zijn de mededingingsautoriteiten. De fusiegolven van de afgelopen dertig jaar hebben in ‘rijpe’ bedrijfstakken met weinig eigen groei al tot vergaande krachtenbundeling geleid. In een malaise-economie blaffen concurrentiewaakhonden eerder en woester als het aantal bedrijven in die markt nog verder afneemt. Wie de oogst van de afgelopen jaren ziet van kartelafspraken van respectabele bedrijven, kan de waakhonden alleen maar gelijk geven.

De tweede tegenkracht zijn de grote, professionele beleggers, zoals vermogensbeheerders en pensioenfondsen. Zij beleggen over het algemeen in een breed scala aan bedrijven en blijken meestal aandelenbelangen te hebben in beide fusiepartners. Wat de een aan overnamepremie betaalt (fijn voor de belegger), verliest de ander aan koerswaarde (pech voor diezelfde belegger). Het gros van die beleggers schiet er niets mee op.

Maar juist die grote fusies vergen veel tijd en moeite van het topkader. Eerst om groen licht te krijgen van beleggers en concurrentiewaakhonden. Vervolgens om de beloofde kostenvoordelen te realiseren. Dat blijkt nog weleens te hoog gegrepen.

Daar komt bij dat juist bij fusies van grote bedrijven ook grote kostenbesparingen moeten worden waargemaakt. Zo veel valt er meestal na een decennium van saneringsrondes niet meer uit te persen. En, ten slotte: beleggers hebben in de kredietcrisis van 2008 aan den lijve ondervonden, dat de voorgaande fusies in de financiële wereld per saldo alleen maar extra complexiteit opleverden en onverwachte verliezen.

Niet dat fusies en overnames verdwijnen. Zij veranderen van karakter. Ze moeten kleiner zijn. Soepeler in te passen in de bestaande organisatie. En praktischer, zoals de overname door chipmachinefabrikant ASML in Veldhoven van Cymer, een grote Amerikaanse leverancier – waarover hier morgen meer.

De redacteuren Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze wisselcolumn over economische ontwikkelingen.