Soms zijn het net kleine kinderen

Stop mensen die zich vervelen in kleine ruimtes bij elkaar en de sfeer wordt naar. In verzorgingshuizen gaat het vaak zo. Dat komt voor een deel door de bezuinigingen.

Deze foto’s zijn onderdeel van het project Een keer per week waarmee Niels Blekemolen in 2012 afstudeerde aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Daarin registreerde hij het dagelijks leven in een bejaardentehuis. De titel verwijst naar bewoners die door slechte gezondheid, geldgebrek of sociaal isolement bijna nooit het tehuis verlaten.

Zet honderd mensen bij elkaar. Honderd oude mensen – die elkaar niet kennen. Het lot en hun gezondheid brachten hen bij elkaar. De meesten zijn hulpbehoevend, soms vergeetachtig, soms ziek. En iedere week gaat er wel iemand dood.

Geef die bewoners een eigen kamer en een gezamenlijke eetzaal. Organiseer af en toe een activiteit: plaatjes draaien, gym of knutselen. Iedere dag krijgen de bewoners te eten en te drinken. Maar niet op het moment dat zij dat willen.

Is het raar dat dit wrijving oplevert? Natuurlijk niet.

Hoe kan het dan dat er nu opeens over ouderen en pesten wordt geschreven? Er werden de afgelopen vier jaar tientallen artikelen in kranten gepubliceerd. We konden lezen over buitensluiting in verzorgingshuizen. Over bewoners die elkaar trappen onder tafel. Over mensen die hun kamer niet meer uit durven en over prullenbakken die voor kamerdeuren worden uitgestort. Pesten zou kortom „sterk zijn toegenomen”.

Maar onderzoeken zijn er niet. Er is één afstudeerscriptie, en sinds mei 2012 is er een Pestprotocol. De richtlijn, opgesteld door het Ouderenfonds en de Radboud Universiteit Nijmegen, is er voor het personeel in tehuizen en leert hun hoe zij met pestgedrag moeten omgaan.

Waar zijn de ouderen zelf in dit verhaal? Vinden zij dat er veel wordt gepest?

We vragen het in Woonzorgcentrum Bunninchem, in Bunnik – een willekeurig verzorgingshuis, met 71 bewoners. Het is woensdagochtend 10 over 10. Achterin de eetzaal zitten vijf vrouwen. Ze zijn 83, 85, 86, 90 en 92 jaar. Ze willen praten, maar niet met hun naam in de krant.

Eerste vraag: hoe is de sfeer?

Eerste antwoord – de vrouw van 86: „Ze maken zo’n herrie daar aan die tafel, dat we elkaar hier niet verstaan. We horen van alles waar we niet in geïnteresseerd zijn.” Ze kijkt de tafel rond. „Zo is het toch?” En dan: „Het is een algemene klacht.”

Een ander: „Wij hadden vroeger vaste vloerbedekking. Die was niet zo welluidend. Dit (zeil) klinkt zo hard.”

„Na de verbouwing is dat veranderd.”

„Ze gaan elkaar overschreeuwen. Daar heb ik onmiddellijk iets van gezegd. Je moet wachten als er iemand praat. Dat doen ze niet. Of ze dat expres doen weet ik niet.”

De vijf zijn bekende gezichten in het tehuis. Ze wonen hier tussen de vier en negen jaar. Ze komen uit Utrecht, Den Haag, Rotterdam en Bunnik. Twee kwamen met partner, maar inmiddels zijn ze alle vijf alleen. Ze noemen hun situatie „gedwongen samenleven”. „We zijn geen vriendinnen”, zegt de vrouw van 86. „Wij zijn tegen elkaar aangeklapt.”

Iedere ochtend drinken ze samen koffie – aan de ronde tafel naast de vogelkooi. Ze praten over de kleinkinderen, de kapper en een uitstapje van drie dagen geleden. Een van hen – met vakbondsverleden – zou liever over politiek praten, maar daar heeft lang niet iedereen zin in. „Het interesseert de mensen niet meer. Ze willen niet in discussie.” De meeste andere bewoners kennen de vijf van gezicht, en soms van naam. Maar echt contact is er niet. „Overlijden is hier aan de orde van de dag”, legt de jongste uit. „Je weet dat er af en toe iemand wegvalt. Daar stel je je op in.”

Na de koffie vertrekken ze naar hun kamer, of ze maken een ronde door de lange gangen van het tehuis – opdracht van de fysiotherapeut. „Er is wel dagopvang”, zeggen ze – een plek waar activiteiten worden georganiseerd, „maar dat is niet altijd je smaak.”

Het tehuis in Bunnik heeft drie verdiepingen, een kleine huiskamer en 24 aanleunwoningen aan de overkant. Er is een winkel, een kapsalon, een bibliotheek en een binnentuin. Wat direct opvalt is de ijzeren regelmaat waarmee de dagen zijn verdeeld. Stap je zes weken later namelijk opnieuw om tien uur de eetzaal binnen, dan zoek je naar verschillen, maar die zijn er niet. Dezelfde mensen drinken koffie rond dezelfde tafels. De tafelkleedjes zijn er nog, net als de bloemstukjes.

Het tehuis ademt een ritme, zeggen de bewoners. En zij onderwerpen zich. Want je wilt wel uitslapen, maar geen warm eten als ontbijt, zegt een van hen. „Dus sta je iedere dag om acht uur op. Want warm eten is om twaalf uur. Dat zijn de regels.”

Om tien uur is er koffie, twee uur later warm eten. Bij ieder tijdstip hoort een vaste zitplaats. Aan iedere tafel zit één bewoner die de vuile vaat verzamelt. Tijdens het eten wordt er weinig gesproken. Erna vertrek je. Rollators horen bij de ingang, wielen richting de deur.

Wetten zijn het misschien niet, maar de gewoontes zijn dwingend. En doorbreekt iemand die gewoontes, omdat hij nieuw is, of gewoon brutaal, dan kan dat wrijving opleveren.

Mevrouw van de Brink (82) fluistert: „Er zijn mensen die zeggen: dát is mijn plaats. Niemand die het lef heeft daar te gaan zitten.”

Een ander: „Sommige mensen zitten in een rolstoel, maar die kunnen gewoon lopen. Dat geeft ze privileges.”

„Nieuwelingen herken je, die zitten nog in de verpakking. Ze druipen meestal af naar die tafel bij de deur.”

Jan Romme, directeur van het Ouderenfonds (dat zich inzet voor het welzijn van ouderen) en initiatiefnemer van het Pestprotocol, zegt dat bewoners balanceren tussen aanpassen en zelfbeschikking. Mensen hechten aan houvast, aan hun eigen plaats in het geheel. „Ze leggen een tasje op de stoel naast zich. Jij mag daar niet zitten.” Dát is natuurlijk van alle tijden, zegt hij. Maar er zijn de afgelopen jaren ook ontwikkelingen die de sfeer in tehuizen beïnvloeden.

Werd je dertig jaar geleden 65, dan kon je een tehuis uitzoeken, eentje waar je vriendinnen woonden bijvoorbeeld. Nu stimuleert de overheid ouderen om zolang mogelijk thuis te blijven wonen. „Om in aanmerking te komen voor een plek in een tehuis moet je zwak en hulpbehoevend zijn. Dán valt er niets meer te kiezen.”

Daardoor loopt de sociale achtergrond van mensen in tehuizen uiteen, en daarmee ook de interesses en het geld dat ze te besteden hebben. „De een houdt van poffertjes, de ander van cultuur. Er zijn mensen die iedere week naar de kapper kunnen en anderen nooit”, zegt Romme. „Je ziet het ook in gevangenissen: veel mensen bij elkaar met weinig omhanden, en grote verschillen in afkomst. Een prachtige kweekgrond voor pesterijen.”

Filosoof en sociaal gerontoloog Jan Baars benadrukt eerst dat goed onderzoek ontbreekt. „Pesten is van alle tijden. We weten niet of dat in tehuizen nu meer gebeurt dan vroeger.” Wat hij wel weet: ouderen en ouder worden worden meer dan ooit gezien als een probleem in onze samenleving. „Een kostenpost. Een lastpost. De kranten staan er vol mee.” En volgens Baars weten we eigenlijk niet zo goed wat we met die groep aan moeten. „Ouderen komen in een situatie terecht waarbij te weinig geld en aandacht voor ze is. Terwijl de groep groeit.” Die frustratie hoopt zich op. „Stop te veel mensen die zich vervelen in kleine ruimtes bij elkaar en er ontstaat gemakkelijk een nare sfeer.”

Baars denkt dat de belangrijkste vraag is: hoe creëer je in tehuizen een goede en zorgzame sfeer? „Pesten is een symptoom van een breder probleem: hoe we met ouderen omgaan. Net als ondervoeding daarvan een symptoom is, en verwaarlozing en eenzaamheid.”

Mevrouw Van Hal (94 jaar) woont op de tweede verdieping in het tehuis in Bunnik. Vanaf de drempel kijkt ze op de begraafplaats. Vanaf haar leunstoel op de binnentuin. Ze woont hier zeven jaar, en nog steeds, zegt ze, is wonen „in een gemeenschap” soms moeilijk. In de eerste plaats omdat in deze gemeenschap de gebreken overheersen. „Als je een gesprek voert, is er altijd wel iemand die er middenin valt. Er zijn zoveel dove mensen hier. Daar word je moe van.” Zelf woonde ze aanvankelijk in De Kromme Rijnhof in Werkhoven. Een klein tehuis, dat dicht moest. Bewoners verhuisden noodgedwongen naar Bunnik. Ik ben geen mens voor ruzie of roddelen, zegt ze zachtjes. „Maar de mentaliteit van de bejaarden hier verschilt van die in de Kromme Rijnhof.” Mensen uit Werkhoven hebben wat minder te besteden, zegt ze. Er is afgunst soms. Pesten zou ze het niet noemen. „Het is negeren.”

Ook Jonneke Temmen, die al zeventien jaar in Bunnik werkt maar het huis in Werkhoven goed kende, legt uit dat de rivaliteit tussen bewoners uit die twee plaatsen nog steeds voelbaar is. Het is alsof er een scheidslijn door de eetzaal kronkelt. Rechts – ter hoogte van de keuken – zitten de mensen uit Werkhoven. Zak je af naar achteren, dan kom je bij de bewoners uit Bunnik en van verder weg. „Er is niet veel veranderd wat dat betreft.”

Wat wel veranderde: de tijd die er is voor bewoners. Schaalvergroting en minder personeel vragen om een andere aanpak. „In De Kromme Rijnhof had je iedere avond nog een warmemelk-ronde”, zegt Temmen. „Daar bracht het personeel per avond hoogstens vier bewoners naar bed. Nu is er geen tijd meer om uitgebreid te kletsen. Dat heeft invloed op de sfeer.” Die sfeer is ook nu meestal goed, gemoedelijk, maar er is wel een aantal sterke karakters in het tehuis. „Soms moet je mensen streng toespreken.”

In de eetzaal – twee verdiepingen lager – druppelen inmiddels de bewoners binnen. Het is tien voor twaalf, dat betekent warm eten. Achter elkaar schuifelen ze naar hun tafel. Een vrouw met blonde krullen rijdt haar rollator op snelheid tegen de enkels van een bewoner voor haar. Ze lacht erbij, maar geeft de rollator opnieuw een duw. Aan de kant, zegt ze, ik zit daar. Een medewerker grijpt in. „Soms zijn het net een stel kleine kinderen.”

Mevrouw Van Hal is inmiddels overleden

    • Lineke Nieber