Papieren zak

Het ging zo: ik zat in de bioscoop te wachten tot Anna Karenina begon, in mijn hand een broodje met kaas, in allerijl gekocht omdat de film rond de lunch werd vertoond en het altijd fijn is om wat te knabbelen als je kijkt naar mensen die liefhebben tot de dood erop volgt. Tijdens het

Het ging zo: ik zat in de bioscoop te wachten tot Anna Karenina begon, in mijn hand een broodje met kaas, in allerijl gekocht omdat de film rond de lunch werd vertoond en het altijd fijn is om wat te knabbelen als je kijkt naar mensen die liefhebben tot de dood erop volgt. Tijdens het reclameblok vooraf haalde ik het broodje voorzichtig uit de papieren zak. Op dat moment draaide de vrouw naast me zich naar me toe en zei met een gezicht alsof niet ik maar een reuzenbedwants naast haar net smakelijk aan een snackje was begonnen: „Kan je misschien éven ophouden met dat gekraak, dat is zo ontzettend irritant!” Overrompeld keek ik haar aan – ik hou ook niet van herrie, maar het ging om het verwijderen van een papieren zakje, niet om een gebarbecuede king crab die ik handenwrijvend uit mijn tasje had gehaald – en antwoordde uiteindelijk met een ingehouden stem: „Ik zal proberen het tot een minimum te beperken”. Vervolgens at ik starend naar het scherm mijn broodje zo snel en geruisloos mogelijk op, en zelfs toen Anna zichzelf na twee uur huilend voor een trein wierp, was ik nog steeds bezig met de pinnige mevrouw naast me – en wat ik allemaal had moeten terugzeggen.

Als u niet tegen mensen om u heen kan dan had u de film maar moeten huren

Op zulke momenten moet ik altijd denken aan het Franse l’esprit de l’escalier – dat je pas later bedenkt wat je terug had moeten zeggen. De filosoof Denis Diderot bedacht de term: tijdens een diner krijgt hij een opmerking waar hij niets op terug weet te zeggen, en later schrijft hij daarover: „een gevoelige man, zoals ik, overrompeld door commentaar, raakt in de war en kan pas onderaan de trap weer helder denken.” Aangezien de huizen in die tijd vaak een ontvangstruimte op de eerste etage hadden, betekent ‘onderaan de trap’ dus: weg van het diner (dat ik direct voor me zie als een gelegenheid waar iedereen elkaar steeds beledigt, maar dan in een ingewikkelde aristocratische codetaal waar zelfs het nadrukkelijk ineenklappen van de waaier een rol kan spelen).

Toch voel ik een verschil: bij Diderot draait het om de beschaafde en de geestige spitsvondigheden. Om de nonchalante tegenwerping die de oppositie de mond snoert, die toont dat jij hoger op de ladder van civilisatie staat en die aan de omstanders (keurige heren met vilten hoge hoed en snor) een besmuikt, maar niet mis te verstaan lachje ontlokt. Dat soort antwoorden verzin ik nóóit – ook niet onderaan de trap. Mijn innerlijke monoloog lijkt meer hierop: „Ik had gewoon moeten zeggen: jezus, het is maar een papieren zakje, hoor. Of: als u niet tegen mensen om u heen kan dan had u de film maar moeten huren. Of: JE KRAAKT ZELF!” Mijn l’esprit is weinig meer dan venijn dat ik door een laffe inborst enkel in gedachten de vrije loop laat.

En misschien is dat maar goed ook: het is een schuchterheid die je zo kan verwarren met beleefdheid, en het voorkomt daarbij vast vele rellen waar iedereen elkaar met broodzakken, plakken kaas en bioscoopkaartjes te lijf gaat. En daarna kan ik gewoon naar huis en het allemaal uitleven op Donkey Kong Returns en mijn geliefde, zoals normale mensen dat doen.