Laten we het supersnelrecht snel afschaffen

Supersnelrecht werkt niet. Het staat zorgvuldigheid en effectieve rechtshandhaving in de weg, vindt onderzoeker Dirk van Leeuwen.

Supersnelrecht is symboolpolitiek. Verbaast het u niet dat slechts vijftien zaken via supersnelrecht werden afgedaan, terwijl er rond de jaarwisseling zeshonderd aanhoudingen werden verricht en tientallen zaken door het Openbaar Ministerie zelf werden afgedaan? Vreemd is het niet.

Een strafzaak is een gecompliceerde gebeurtenis. De politie moet een dossier samenstellen. Het OM moet dat dossier beoordelen en de verdachte dagvaarden. Vervolgens moeten rechter, verdachte en raadsman het dossier ontvangen en tijd hebben om het te bestuderen. Verdachte en raadsman moeten de verdediging kunnen bespreken. Als een slachtoffer bekend is, zal die vaak zijn schade vergoed willen zien. Er is dan tijd nodig om bewijs voor die vordering te verzamelen. Bij supersnelrecht moet dit binnen één á twee dagen gebeuren. U kunt zich voorstellen dat het een race tegen de klok is. Treedt er een probleem op – getuigen moeten ter zitting worden gehoord, er moet extra bewijs worden verzameld – dan is supersnelrecht nauwelijks meer een optie.

Er is een nihil aantal zaken geschikt om via supersnelrecht te worden afgedaan. De tijd en moeite die aan supersnelrecht worden besteed heeft een publicitair doel. Het OM tracht te laten zien dat criminaliteit hard wordt bestreden. Daarom besloot het OM ook om 75 procent meer straf te eisen bij de jaarwisseling en zelfs 200 procent meer als er geweld was gebruikt tegen politie of andere hulpdiensten. Van werkelijke criminaliteitsbestrijding kan bij zo een gering aantal zaken evenwel geen sprake zijn. De procedure heeft een symbolische waarde.

Supersnelrecht is geschikt voor publicitaire doeleinden; tonen dat het lik-op-stukbeleid wordt toegepast. Daar zet het OM de procedure ook voor in. De verdachten in de vijftien supersnelrechtzaken zijn daarmee, naast hun rol als verdachte, politieke inzet geworden. De straf die zij zouden moeten krijgen opgelegd, moest laten zien hoe hard dit soort criminaliteit wordt aangepakt. Toen de Haagse rechter dat beeld doorkruiste door een passende, maar veel lagere straf dan geëist, op te leggen ontstond irritatie bij het OM. Die irritatie is misplaatst. De rechter bepaalt de straf aan de hand van de zaak die hij moet beoordelen. Algemeen beleid kan dan informatief zijn, maar leidend moet het niet worden. Dan vervalt immers een op de concrete zaak toegesneden beoordeling die het strafrecht zo eigen is. Dat geldt zeker voor OM-beleid; het beleid van een aanklager mag toch niet leidend worden voor de rechter? Daarnaast liet het OM door de stevige reactie onterecht het beeld ontstaan dat de rechter een effectieve handhaving blokkeert.

Dit is echter slechts een deel van het probleem. Het supersnelrecht werkt ook niet. Het is indertijd opgetuigd als reactie op de roep uit de maatschappij om sneller straffen. Op zichzelf is dat een goed beleid. Een strafzaak hoort geen jaren te duren. Maar dat betekent niet dat snelheid het enige belang is. De verdachte heeft recht op voldoende tijd om zijn verdediging voor te bereiden. Daarnaast roept een te snelle procedure een groot risico op fouten in het leven. Er kan onvoldoende onderzoek worden gedaan naar de werkelijke toedracht. Als een dossier binnen een dag moet worden voltooid, zullen vaak niet alle getuigen kunnen worden gehoord. Ook het OM loopt tegen die beperkingen aan. Soms zou het OM bij voldoende voorbereiding voor zwaardere feiten kunnen vervolgen. Dat zal bij supersnelrecht niet snel gebeuren. Om zwaardere feiten te kunnen bewijzen is namelijk vaak meer bewijs nodig, dan voor een eenvoudig misdrijf. En bewijs verzamelen kost tijd.

Voor het slachtoffer geldt hetzelfde; die kan eenvoudig buitengesloten raken doordat de zaak te snel wordt afgedaan. Supersnelrecht beperkt dus alle betrokkenen in het strafproces. Zoals ik al zei, we doen het ook met maar één doel: om voorbeelden te stellen. Natuurlijk heeft het strafrecht ook een symbolische waarde. Er moet van straffen een algemeen afschrikwekkend effect uit gaan. Maar het mag niet tot die functie beperkt raken.

Schaf het supersnelrecht daarom af. Niet omdat er te laag gestraft zou worden, maar omdat een zorgvuldig strafproces en een effectieve rechtshandhaving daarbij is gebaat.

Dirk van Leeuwen is docent en onderzoeker bij de leerstoelgroep strafrechtwetenschappen van de Universiteit van Amsterdam.

    • Dirk van Leeuwen